Wie eenzaam sterft, verdient in elk geval een waardige uitvaart, stelt schrijver Joris van Casteren. In zijn werk als dichter-coördinator voor de stichting De Eenzame Uitvaart volgt hij, net als in onze podcastserie Wat blijft, het spoor terug van overledenen. De dichter brengt een bijzonder saluut aan de overledenen die eenzaam gingen en waarvan anders niemand hun uitvaart zou bezoeken.

Hij ruikt een stinkende geur in de huizen van eenzaam overledenen. De geur van ontbinding, penetranter naarmate ze er langer hebben gelegen. Bij Joris van Casteren wekt die geur geen vluchtgedrag op. Het trekt hem juist aan. “Het is voor mij de kiem van een goed verhaal.” Net als in onze podcastserie Wat blijft, zoekt de schrijver naar wat de overledene nalaat. Van Casteren gaat op zoek naar mensen die de eenzaam overledene hebben gekend, om een zo volledig mogelijk verhaal over hem of haar op te kunnen schrijven.

Ieder jaar overlijden mensen moederziel alleen. “Het is verschrikkelijk als mensen alleen dood in hun huis liggen, maar het is nog veel verschrikkelijker als er dan ook nog niemand naar je uitvaart komt,” zegt Joris van Casteren. “Daarom voelt het voor mij als een soort morele plicht om voor mensen die sterven zonder nabestaanden, een plechtigheid te verzorgen. Want ieder mens verdient een waardig einde.”

De stichting

Al sinds 2002 verzorgt stichting De Eenzame Uitvaart een plechtigheid voor mensen die sterven zonder nabestaanden. Waarbij verschillende dichters een gedicht schrijven voor eenzaam gestorvenen en dat gedicht voordragen bij de uitvaart. “De uitvaarten zijn eenvoudige uitgeleide,” zegt schrijver en coördinator van de stichting, Joris van Casteren. “Er is wat muziek en er wordt een gedicht voorgelezen voor de overleden persoon van wie geen enkel familielid of vriend zich gemeld heeft om de uitvaart op zich te nemen.”

Als de stichting de uitvaart niet op zich zou nemen, zou de overledene linea recta vanuit het uitvaartcentrum in een graf belanden, zegt de schrijver. “Het is cru dat mensen zo hupsakee onder de grond gestopt worden. Vanuit deze troosteloosheid nam dichter F. Starik het initiatief om samen met de gemeente Amsterdam de stichting De Eenzame Uitvaart op te richten. Zo ontstond in 2002 de Poule des Doods."

Van woning tot in de kist

Wanneer iemand eenzaam overlijdt, komt de melding binnen bij de gemeente via de politie of een zorginstelling. “De gemeente gaat dan op zoek naar familieleden in de basisadministratie. In negentig procent van de gevallen komt toch nog een ver familielid bovendrijven en die neemt dan meestal de begrafenis op zich,” zegt Van Casteren. “Dan komt er uiteindelijk geen eenzame uitvaart, maar dan is die persoon net zo goed eenzaam gestorven.”

Zodra Van Casteren via de gemeente melding krijgt van een eenzame dode, benadert hij de dienstdoende dichter en maakt van iedere uitvaart een verslag. “Ik probeer altijd een profiel op te stellen van de overleden persoon. Daarom ga ik altijd mee naar de woning van de eenzaam gestorvene, als er een woning is, tenminste,” zegt de coördinator. “Terwijl de gemeente zoekt naar aanwijzingen van familieleden en naar administratieve gegevens van banken en verzekeringen om de uitvaart te bekostigen, zoek ik naar fotoalbums, muziek, adressenboekjes of spullen die me iets over het leven van de gestorvene kunnen vertellen.”

De woningen zijn niet de fijnste plekken om te zijn, vertelt de dichter-coördinator. “Soms zijn het vervuilde plekken, waar iemand soms een tijd dood heeft gelegen. Dan stinkt het er enorm. Tegelijkertijd moet je daar een beetje doorheen kijken, want die persoon heeft natuurlijk niet altijd zo geroken. Bovendien is er vaak al eerder politie geweest, dus je ziet rommel die er niet altijd is geweest," zegt Van Casteren. "Maar ik was ook wel een keer in een woning waar alles heel netjes was. Toen voelde ik me echt een indringer, want het lijkt net alsof die persoon elk moment kon thuiskomen. Toen dacht ik: wat doe ik hier eigenlijk?”

Het verhaal achter de eenzame dode

Na de woning te hebben doorzocht spreekt Joris van Casteren altijd met omwonenden, om meer te weten te komen. “Ik probeer terug te gaan naar de tijd dat iemand er nog echt was, want diegene is ook meer dan die laatste eenzame periode van zijn leven. Daarom probeer ik altijd uit te zoeken waar iemand gewerkt heeft. Op zo’n manier geef je iemand een groter deel van zijn gezicht terug, in plaats van alleen te wijzen op het tragische einde. Mensen zeggen daar dan vaak van dat iemand het er zelf naar heeft gemaakt. Maar het zijn vaak hele gewone mensen, die ergens een verkeerde afslag hebben genomen.”

Door zich te verdiepen in het leven en sterven van eenzame doden heeft Van Casteren toch het gevoel iemand een beetje te leren kennen. “Het kost altijd veel tijd, maar hierdoor voel ik me gerechtvaardigd om de plechtigheid te begeleiden. Het voelt namelijk niet goed als je niet je best hebt gedaan,” zegt Van Casteren. “Je moet een dode leren kennen om bijvoorbeeld de juiste muziek uit te kiezen. Zo kunnen we de uitvaart toch persoonlijker maken. En het kan altijd gebeuren dat later alsnog een familielid of bekende langskomt. Daarom voelt het voor mij als een morele plicht om zoveel mogelijk uit de kast te trekken.”

Dit is geen foto van een uitvaart begeleid door Joris van Casteren.

De eenzame uitvaart

Inmiddels heeft Van Casteren al veertig begrafenissen bijgewoond. Een aantal van die uitvaarten staat hem nog goed bij. “Mijn eerste begrafenis was voor een Roemeense jongen die in Amsterdam-Zuidoost van een flat was gesprongen. Zijn moeder zat in Italië, maar die wilde niet op zijn begrafenis komen. Dat brak echt mijn hart.”

Bij de tweede uitvaart ging het om de romp van een vrouw die gevonden was. “Dat was echt gruwelijk. Als een ongeïdentificeerd iemand gevonden wordt, maakt dat de begrafenis extra moeilijk. Je weet heel weinig van iemand, dus je weet niet zeker of de muziek goed is en het gedicht kan nooit concreet gemaakt worden,” zegt de schrijver. “Voor het gedicht dat ik ging schrijven, ben ik toen naar de vindplek gegaan. Later toen die moord opgelost was, heeft haar familie mij bedankt, omdat het gedicht enorm bij haar bleek te passen achteraf. Dat zijn wel momenten waarop ik dankbaar ben voor mijn werk.”           

Een epidemie van eenzaamheid

Volgens Van Casteren zijn er in Amsterdam per jaar gemiddeld vijfduizend sterfgevallen. Bij ongeveer vijfhonderd daarvan moet de gemeente op zoek naar familieleden of bekenden. Vaak slagen ze daarin, maar bij zo’n vijftien sterfgevallen wordt niemand gevonden. “De eenzame uitvaarten zijn nog maar het topje van de ijsberg,” zegt Van Casteren. “Bijna één op de tien keer is de dood in Amsterdam met eenzaamheid verweven. Zo’n persoon kan op straat in elkaar zijn gezakt of half ontbonden worden aangetroffen in de woning door de politie. Dan weet je haast zeker dat iemand alleen is overleden, want dan heeft al een hele lange tijd niemand naar je omgekeken.”

Door zijn werk voor deze stichting ziet Van Casteren plekken die vaak onzichtbaar blijven: de woningen van vereenzaamde mensen. “Bij leven zijn deze personen vaak al onzichtbaar. Fysiek zijn ze er wel, omdat ze hooguit als administratief gegeven bestaan. Maar niemand zal ze missen als ze er niet meer zijn.” Uit een soort tegendraadsheid wilt Van Casteren juist deze mensen laten zien aan de maatschappij. “Ik wil onze samenleving een spiegel voorhouden, want ook deze zogenaamde mislukkingen of mensen die zich niet willen doen gelden mogen we niet over het hoofd zien.”

De stichting is er dus niet alleen voor de eenzame overledenen, ook wil de instantie de groeiende eenzaamheid in de samenleving onder de aandacht brengen. “Eenzaamheid is namelijk een  verschijnsel dat steeds krachtiger om zich heen grijpt,” zegt Van Casteren. Hij schreef daar ook over in zijn boek Eenzaamheid. “Het is een paradoxale ziekte die in de westerse wereld, gekenmerkt door losse gezinsstructuren en een grote mate aan individuele vrijheid, een rijke voedingsbodem vindt,” schrijft hij in zijn boek.

“In de moderne tijd leven we volstrekt anders dan 150 jaar geleden. Grote steden zijn gevormd en veel mensen zitten op social media. Ondanks dat we offline en online zo met elkaar verbonden zijn, is er tegelijkertijd een enorme anonimiteit ontstaan. Onze gemeenschapszin en onderlinge verbondenheid verdwijnen. Iedereen is met iets anders bezig, behalve met de mensen om zich heen. Je weet niet meer wie er naast je woont. In die zin zijn we allemaal eenzaam, sommigen weten het alleen nog niet.”

Luister Wat blijft

In de podcastserie Wat blijft volgen interviewers als Coen Verbraak, Floortje Smit en Clairy Polak het spoor terug van recent overleden Nederlanders. Ze stellen de vraag wat dierbare overledene écht hebben betekend. Wat kunnen we leren van hun leven? En hoe leven zij voort?