Op 10 december staan we stil bij het feit dat in 1948 de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) aannam. Sindsdien gaan ook vanuit Nederland militairen op uitzending om deze mensenrechten te waarborgen. Bij deze missies komt meer kijken dan de meeste militairen denken, met alle psychische impact van dien. Daarom staat HUMAN in deze tweedelige special stil bij het geestelijk welzijn van onze vredestroepen. Dit is deel 1: Srebrenica.

“Jullie zijn veilig nu! Dit is een VN-safe area,” roept de Franse VN-generaal Morillon vanuit het oude winkelcentrum van de stad Srebrenica. Het is april 1993. Serviërs, Kroaten en Bosnische moslims wonen door elkaar in Joegoslavië. Bosnische Serviërs willen het land met veel geweld overnemen, waardoor een burgeroorlog is ontstaan. Srebrenica wordt omringd door bergen waar Bosnisch Servische eenheden elk moment het vuur kunnen openen. De Verenigde Naties belooft de burgers te beschermen door een Nederlandse gevechtseenheid naar de enclave te sturen. In 1994 komen de Nederlandse soldaten in de stad en al snel blijkt dat ze slecht voorbereid zijn. Training ontbreekt, ze mogen niet vechten en zijn zeer licht bewapend.  

Niet veel later lopen Bosnisch-Servische troepen de stad onder de voet. Mannen en vrouwen worden van elkaar gescheiden en meer dan achtduizend moslimmannen en -jongens worden vermoord; de grootste oorlogsmisdaad in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Nederlandse militairen zijn weliswaar in de buurt om bewoners te beschermen, maar ze kunnen de genocide niet voorkomen. Ze vragen de VN om luchtsteun, maar die hulp kwam nooit. De militairen hebben niks te zeggen en vertrekken uit de enclave naar Zagreb.  

Doekje voor het bloeden

Bij thuiskomst is veel kritiek op het handelen van Nederlandse militairen. Nabestaanden houden de militairen verantwoordelijk. Ze hadden het kunnen voorkomen, wordt gezegd. Ze hadden meer kunnen doen en waren te veel met hun eigen lot bezig. Het ministerie van Defensie zwijgt en de politiek schuift de schuld af op de militairen. Media publiceren negatief over de militairen, waardoor de publieke opinie zich tegen de militairen keert.  

Pas in 2016 geeft Joris Voorhoeve, minister van Defensie tijdens de oorlog in Joegoslavië, toe dat Nederlandse militairen geen luchtsteun kregen, vanwege een geheime afspraak tussen Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. In februari 2021 stelt het kabinet dat het bataljon dat de val van Srebrenica heeft meegemaakt, vijfduizend euro per persoon krijgt als gebaar van waardering.

Voor de Joegoslavië-veteranen is de genoegdoening slechts een doekje voor het bloeden. Een kwart van de uitgezonden Joegoslaviëveteranen ervaart namelijk nog steeds mentale klachten en 21 procent geeft zijn kwaliteit van leven een onvoldoende. Dat blijkt uit onderzoek van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum. 

Waarom ervaren veteranen bijna dertig jaar na de missie nog altijd mentale klachten? Besteedt Defensie überhaupt voldoende aandacht aan geestelijke zorg voor militairen?  Joegoslavië-veteraan Tijs Medema en geestelijk verzorger Bart Hetebrij vertellen. 

De missie door de ogen van Sergeant Tijs Medema

Tijs Medema was beroepsonderofficier bij Defensie en is uitgezonden naar voormalig Joegoslavië. Momenteel werkt hij als Docent Logistiek uniformberoepen op het Noorderpoort college in Groningen. Hoe heeft hij de uitzending ervaren en waarom zijn er volgens hem zoveel militairen teruggekomen van de missie met psychische klachten?  

“In november 1986 kwam ik bij Defensie terecht door mijn dienstplicht. Mijn moeder zette me met een zak drumsticks op de trein naar de basis en ik wist totaal niet wat me te wachten stond. Ik liep het defensieterrein op, rook de lucht, nam de omgeving in mij op en dacht gelijk: Dit is waar ik thuis hoor. Kameraadschap, avontuur, bescherming bieden, leidinggeven; alle aspecten van het beroep spraken mij aan en daarom ben ik na mijn dienstplicht beroepsmilitair geworden. In 1994 ben ik uitgezonden naar Joegoslavië als pelotonssergeant transportbataljon.” 

Tijs Medema voor een oude transport-truck van Defensie.

“Aangekomen in Joegoslavië, was ik bloedfanatiek. Ik ging de lokale bevolking bevoorraden. Ik kwam om te helpen en kon iets voor hen betekenen. De chauffeur met wie ik op pad was moest lachen toen hij mijn enthousiasme zag. ‘Over drie weken spreek ik je weer sergeant,’ zei hij. Al snel begreep ik zijn opmerking. Wij voerden in Joegoslavië geen voedseltransport uit om de bevolking te voorzien van eten, maar om strijdende manschappen te voeden. Althans, dat gevoel kreeg ik. Ik kan me herinneren dat ik twee uur na het lossen van voedsel langs hetzelfde dorp terugreed en tot mijn verbazing zag ik dat militaire voertuigen werden volgeladen met het eten dat wij net hadden neergezet. 

“Een gevoel van machteloosheid overspoelde mij. Ik werd in één keer uit mijn bubbel gehaald. Waarom was ik hier? Wat deed ik hier? Ik kon helemaal niets betekenen voor de bevolking. Ik besefte dat mannen en vrouwen werden verkracht en vermoord, dat kinderen opgroeiden zonder ouders en positief toekomstperspectief, alleen omdat ze Servisch, Kroatisch of Bosnisch waren. Daar kon en kan ik echt niet bij en ik zal de zin van die oorlog nooit begrijpen.” 

Problemen ontstaan na thuiskomst

“Het beeld van een man die zijn kindje in een kleed naar het graf draagt, zal ik nooit meer vergeten. Hij loopt langs ons en een kinderarmpje valt onder het kleed vandaan. Ik ben zelf vader en dat beeld raakt mij nog altijd diep. Natuurlijk zijn zulke herinneringen part of the job, maar niet iedereen kan dit goed verwerken. Tijdens de missie zelf merk je eigenlijk niets van eventuele trauma’s. We houden een situatierapportage met het team. We spreken uit waar we mee zitten, drinken een biertje samen en gaan verder met ons werk.  

Bij thuiskomst ontstaan pas problemen. Bijvoorbeeld wanneer je vrouw chagrijnig is omdat je de vuilniszakken niet buiten hebt gezet. Of wanneer je dochter niet in de regen naar school wil fietsen. Op dit soort alledaagse situaties kon ik heel heftig reageren, waardoor wrijving ontstaat. Ik had zelf na de uitzending moeite met acclimatiseren en sommige trekjes gaan nooit meer weg. Ik heb bijvoorbeeld een hekel aan vuurwerk en harde knallen, dan schrik ik me kapot.” 

Een groot politiek spel

“Bij thuiskomst had iedereen een mening over de uitzending en met name over de val van Srebrenica. Daardoor is het geestelijk welzijn van veel militairen nog harder achteruitgegaan. Ik word nog steeds woest wanneer het in het publieke debat weer over die uitzending gaat. De jongens die al PTSS of mentale problemen aan de missie over hebben gehouden, worden wederom de grond in gestampt door hoge piefen in Den Haag, die geen benul hebben van wat we moesten meemaken.  

“Er is een moment geweest dat Joris Voorhoeve, de toenmalig minister van Defensie op bezoek kwam in ons kamp om met militairen te praten. Ik en andere collega’s wilden hem graag de waarheid vertellen. We waren niet goed bezig. We hielpen de bevolking niet bevoorraden en ondersteunden niet het ‘goede’. Maar we werden bewust bij hem weggehouden door de commandant. Alleen militairen die volgens Defensie het ‘juiste’ vertelden en het perfecte plaatje voorschotelden, werden geïnterviewd. Het is gewoon een groot politiek spel.” 

Heersende cultuur en gebrek aan nazorg

“Tijdens de missie zelf werden we bijgestaan door een geestelijk verzorger, maar bij thuiskomst was hij nergens meer te bekennen. Andere geestelijke zorg werd ook niet gefaciliteerd door Defensie, terwijl deze hulp juist bij thuiskomst hard nodig is. Het zelf vragen om professionele, geestelijke hulp doe je eigenlijk niet door de heersende cultuur binnen Defensie. Op het moment dat je in uniform loopt ben je geen burger meer, maar militair. Je bent er om anderen te helpen en je zoekt in principe geen hulp voor mentale klachten.

"Het moment dat je het kantoor van een geestelijk verzorger, maatschappelijk werker of psycholoog binnenloopt, ziet iedereen dat het niet goed met je gaat. Je kunt problemen dan beter bespreken met jouw buddy, dat is een collega en vertrouwenspersoon die het beste snapt hoe jij je voelt en waar je doorheen gaat. Je kent elkaar privé en steunt elkaar tijdens missies. Vaak vertel je meer aan je buddy dan aan je eigen vrouw. Die kameraadschap vind je nergens anders.” 

Toch zou Tijs zo weer op uitzending te gaan, als hij militair gebleven was. “Ik kijk zeer positief terug op de missie,” stelt hij. “Ik heb mijn best gedaan om alle hulp te bieden die binnen mijn macht lag. En mijn taak was om de jongens waar ik leiding over had te begeleiden en weer heelhuids thuis te brengen. Dat is gelukt, dus mission accomplished.” 

De missie door de ogen van geestelijk verzorger Bart Hetebrij

Bart Hetebrij is humanistisch geestelijk verzorger en ruim twintig jaar werkzaam geweest als raadsman bij Defensie. In 1995 is hij uitgezonden naar voormalig Joegoslavië, hoewel hij de val van Srebrenica net niet meemaakte. Hij was als verlofganger gestrand in Zagreb, waar hij de militairen die terugkeerden uit de ingenomen enclave opving. De val van de stad heeft diepe, morele wonden geslagen en over sommige militairen maakt hij zich nog altijd zorgen.  

“Politieke en maatschappelijke erkenning is een sleutelbegrip in de zorg voor veteranen. Het gebrek hieraan gaat ten koste van het geestelijk welzijn. De politiek heeft de Joegoslaviëveteranen echt in de steek gelaten. Voorheen diende de krijgsmacht ter verdediging van de eigen bevolking en ter bescherming van het eigen grondgebied. Tegenwoordig dienen militairen als instrument voor buitenlandse politiek. De politieke belangen van de Verenigde Naties gaan boven het welzijn van militairen. De missie was rampzalig en hoe het tot zijn eind kwam, is een zwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis.” 

Wat doet een geestelijk verzorger?

“Als humanistisch geestelijk verzorger, ook wel raadsman of raadsvrouw genoemd, praat ik met de militairen, burgerpersoneel, veteranen en het thuisfront over zingevingsvragen,” vertelt humanistisch geestelijk verzorger Bart Hetebrij. “Ik ben het eerste aanspreekpunt, mocht een militair behoefte hebben aan een gesprek.” 

“Met de militairen ontwikkel ik een vertrouwensband, door bijvoorbeeld mee te gaan op patrouille, oefening of uitzending. Die band is erg belangrijk, omdat er anders niet over mentale problemen gesproken wordt door de heersende cultuur binnen Defensie. Het grootste verschil tussen een psycholoog en een geestelijk verzorger, is dat ik als geestelijk verzorger te allen tijde opensta voor een gesprek over allerlei uiteenlopende onderwerpen. Zonder te oordelen of een behandelplan op te stellen. Ik signaleer de knelpunten en ga daarover in gesprek.” 

“Dat militairen pionnen zijn in een groot politiek spel, heb ik zelf ondervonden. De defensievoorlichter liet absoluut niet toe dat het bataljon in contact kwam met de media. Militairen mochten het ‘echte’ verhaal niet vertellen en informatie mocht absoluut niet naar buiten. Mijn rapport over de nazorgconferenties, bestemd voor de Vaste Kamercommissie Defensie, kwam het kazerneterrein niet af en informatie werd eerst aangepast door defensievoorlichters. De media spraken over militairen, maar niet met militairen. Politiek en media sluiten hun ogen voor de werkelijkheid, maar veteranen blijven zitten met herinneringen en je ogen sluiten voor de herinnering helpt niet.” 

Bart Hetebrij tijdens zijn uitzending.

Militair wil graag vertellen

“Media versterkten de negatieve beeldvorming over deze missie. De media en de bevolking hebben de veteranen neergezet als lafaards in plaats van hun erkenning te geven. Het publiek wil tijdens een missie snel resultaat zien en leest liever over een overwinning dan over een mislukking. Successen worden behaald door de politiek, maar bij een mislukte missie wordt de schuld afgeschoven op de individuele krijgsman. Voorbeelden van vragen die de militairen dagelijks kregen: Waarom heb je de enclave verlaten? Had je niet meer kunnen doen?  

Een militair zal in dat geval ervoor kiezen om zijn mond te houden. Hierdoor kan hij zijn verhaal niet vertellen en dat is niet goed voor het verwerkingsproces. Daarom is het belangrijk dat de bevolking haar verwachting aanpast en dat journalisten echt luisteren naar de getraumatiseerde militair. 

“Helaas zoeken media niet naar het echte verhaal, maar naar een probleemverhaal, met een hoge nieuwswaarde. Dat vind ik jammer, want juist de kleine en individuele verhalen vertellen het grote verhaal van deze missie. Daarom wil ik journalisten vragen om onbevangen in gesprek te gaan met militairen. Heb geen vooroordeel, maar ga in gesprek uit belangstelling. Dan komen de verhalen vanzelf, want een militair wil graag zijn verhaal vertellen. Op die manier voelt de militair erkenning van de samenleving, hoeft hij zich niet constant te verantwoorden en wordt een groot deel van de problematiek verholpen.” 

Schuld en schaamte zitten niet aan de oppervlakte

“Het gebrek aan de lange termijn nazorg is eveneens een reden voor het hoge klachtenpercentage. Geestelijke verzorging kwam destijds niet structureel aan bod in de nazorg. Dat is een kwalijke zaak in een cultuur waar niet over problemen gesproken wordt. Alleen kort na de missie werd gevraagd hoe het met militairen ging. Defensie hanteert een vinkjescultuur. Als achteraf problemen ontstaan, kun je zeggen dat vooraf alles goed geregeld is. Zingevingsvragen komen vaak later op, dit kan soms maanden of jaren duren. 

“Ik zeg wel eens dat we probleemkinderen naar probleemgebieden sturen. Veel militairen met een onstabiele thuissituatie vinden rust bij de regelmaat en stabiliteit van Defensie. Vervolgens worden ze uitgezonden, lopen (nog meer) trauma’s op en belanden bij een psycholoog. Klachten zoals agressie, verslaving, slapeloosheid en angst zitten allemaal aan de oppervlakte en zijn redelijk goed te behandelen door een psycholoog. Wanneer militairen uitbehandeld zijn, worden ze weer in het diepe gegooid en dan komen zingevingsvragen op.  

Het zelf-, mens- én wereldbeeld van de militair is veranderd na de missie. Wat is goed? Wat is fout? Wat is rechtvaardig en wat niet? Heb ik wel juist gehandeld? Hoe nu verder? Hoe geef ik zin aan mijn leven in Nederland? Dan kom je bij een diepere laag terecht. Schuld en schaamte zitten niet aan de oppervlakte en zijn lastiger te behandelen. Als geestelijk verzorgers moeten wij er op die momenten voor militairen zijn. Daarom is het zo ontzettend belangrijk dat geestelijke verzorging standaard en structureel in de nazorg aanwezig is. Defensie heeft hier destijds onvoldoende aandacht aan besteed.” 

Rules of Engagement

Erwin Kamp.

Erwin Kamp.

Erwin Kamp is hoofdkrijgsmachtraadsman bij Defensie en stelt dat de geestelijke- en sociaal psychologische hulpverlening binnen Defensie de afgelopen jaren flink verbeterd is en dat de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ) ruimschoots aandacht besteed aan mentaal welzijn van veteranen. “Voor de uitzending naar Libanon eind jaren zeventig, begin jaren tachtig werden militairen niet goed voorbereid op een missie en Defensie regelde geen nazorg,” zegt hij. “Inmiddels is de totale zorg verbeterd. Dus niet alleen de geestelijke zorg, maar ook de sociaal psychologische hulpverlening. Militairen worden beter opgeleid om op uitzending te gaan. Ze spreken twee dagen met elkaar over de missie voordat ze naar huis gaan en na drie maanden worden ze weer op gesprek gevraagd op de kazerne. Na zes maanden vullen militairen en het thuisfront een vragenlijst in, waarin ook wordt gevraagd hoe het met ze gaat.”  

Volgens Kamp worden psychische klachten voor een groot deel bepaald door de zogeheten Rules of Engagement. “Daarmee bedoel ik: Waar ligt de handelingsbevoegdheid van een militair om in te grijpen? Als we de missie in Joegoslavië als voorbeeld nemen, zien we dat Nederlandse militairen niet goed bewapend waren en alleen zichzelf mochten verdedigen. Wanneer een kind mishandeld werd, konden en mochten zij niet ingrijpen. Een militair kan dan geen regie nemen over het eigen leven, waardoor de kans op toenemende psychische klachten stijgt.” 

Niks geleerd?

Volgens Kamp is de zorg na de missie in Joegoslavië alleen maar verbeterd ten opzichte van eerdere missies en wordt door het ministerie momenteel meer aandacht besteedt aan veteranenzorg. Desalniettemin meldt EenVandaag dat de missie naar Afghanistan van deze eeuw heeft gezorgd voor het hoogste aantal PTSS’ers in de geschiedenis van de krijgsmacht en uit recente cijfers van Defensie blijkt dat maar liefst vijftig procent van de militairen niet tevreden is over de nazorg. 

Heeft Defensie niks geleerd van de missie naar Joegoslavië? Antwoorden op deze vragen vind je in deel 2 van deze special, waarin we met Afghanistanveteraan Kim Oosterveen en geestelijk verzorger Gösta Huijs terugblikken op de missie in Afghanistan.