In Brainwash Talks van HUMAN buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer taalkundige Wim Vandenbussche.

Wereldwijd worden er zo'n zevenduizend talen gesproken, en we komen meer dan ooit in contact met die meertalige werkelijkheid. Of dat nu komt door mobiliteit, technologie of migratie: het is een feit dat onze dorpen en steden meertaliger zijn dan ooit. Mocht je eraan twijfelen: de Amerikaanse metropool New York is geen Engelstalige stad, ook het über-Britse London is dat niet. Neem het laagje Engels weg en kijk naar de dominante taal die dan overblijft in de stadswijken, en je ziet een caleidoscoop aan talen verschijnen, een bont mozaïek.

In Brussel, waar ik vandaan kom, worden meer dan honderd verschillende talen gesproken, en ook een stad als Amsterdam zindert van talige diversiteit. De idee dat we in een stad als Rotterdam enkel Nederlands zouden spreken, zouden mogen spreken, is alleen daarom al absurd. Ook voor de gedachte dat die meertaligheid het alomtegenwoordige Nederlands zou verdrukken als landstaal, is er geen enkele redelijke grond.

We ontkennen meertaligheid

We mogen graag laten merken dat we die meertaligheid omarmen. We citeren instemmend Wittgenstein die zegt dat de grenzen van zijn taal de grenzen van zijn wereld zijn, we onderschrijven overtuigd de stelling dat je met elke nieuwe taal een nieuw mens wordt en een nieuwe wereld ontdekt. Maar in de alledaagse realiteit lijkt het er al te vaak op dat we die rijkdom volstrekt en bewust negeren, meer nog: ontkennen.

Stel je even een eerste schooldag voor. Een klasje vol beloftevolle blinkende ogen. Het eentalig Nederlandssprekende kind op de eerste bank, dat zich vlot voorstelt, geldt als uiterst taalvaardig. Het jongetje achterin dat het Frans of het Engels en het Nederlands vrij goed beheerst als perfect tweetalig. Maar mijn hart breekt als het meisje op de tweede bank links, dat tweetalig Tamazight-Arabisch, of Perzisch-Armeens is, als een kind "met taalachterstand" bestempeld wordt, omdat ze in het Nederlands een 'de' en een 'het' verwisselt.

Vele taalkundigen wezen er vroeger al op dat er blijkbaar zoiets als goede en slechte meertaligheid bestaat, en werden daarom weggezet als naïeve, postmoderne relativisten. Maar je hoeft geen salongeleerde te zijn om vast te stellen: wat bij het ene kind een waardevolle talenknobbel is, is bij het andere plots een problematisch spreken in tongen.

Nederlands als standaardtaal

Dat het dwingende wondermiddel om die kinderen te 'integreren in de samenleving' steevast het verwerven van de Nederlandse standaardtaal is, is minstens even opmerkelijk. Ik ben er als taalkundige en mens van overtuigd dat er voor het Algemeen Nederlands een belangrijke rol weggelegd is in een kinderleven, net zoals dat voor een dialect en een tussentaal het geval is. Daar gaat het me niet om, dat staat ook niet ter discussie.

Wat me wel opvalt is dat het dwangmatige heil dat enkel en alleen van het Algemeen Nederlands lijkt te kunnen komen, vaak met vuur gepropageerd wordt door politici die die standaardtaal zelf op geheel eigen wijze weleens geweld aandoen, of haar zelfs niet blijken te beheersen.

Ik zal als hartstochtelijk spreker van dialecten en tussentalen de laatste zijn om hen voor die taalbeheersing te veroordelen. Enkel een academicus met een slecht karakter zou die bewindslui van enige taalachterstand durven te verdenken. Maar het voelt toch steeds een beetje aan als de moddervette coach die langs de zijlijn zijn spelers uitscheldt omdat ze niet snel genoeg lopen.

Teloorgang van de taalrijkdom

Dat die standaardtaal door dezelfde lieden van die succesvolle voetbalcoach of een wielerlegende nooit verwacht wordt, dat het halve land gelukkig functioneert in zijn of haar leefomgeving in een dialect of regionale omgangstaal, steekt pijnlijk af bij de druk die er op het meisje van de tweede bank links gelegd wordt.

We negeren de taalrijkdom van die kinderen liever. Zij switchen in hun alledaagse realiteit moeiteloos tussen hun talen, met vrienden dit, met ouders dat, en binnen eenzelfde gesprek vaak van de ene taal op de andere, en terug.

Dat is perfect normaal en schadeloos, het is niet anders dan hoe ik als kind wisselde tussen dialect en standaard en alles ertussenin, maar zodra het om andere talen gaat dan het Nederlands, wordt dat een probleem. En gaan politici plots praten over het gevaar dat meertaligheid naar 'zerotaligheid' zou leiden – wat niet zo is, voor alle duidelijkheid.

Het gaat niet om inclusie

Laat er geen twijfel over bestaan: als een kind het moeilijk heeft met taal, dan is het onze verdomde plicht als samenleving om ervoor te zorgen dat dat kind de beste begeleiding krijgt om dat bij te spijkeren. Geen zinnig mens twijfelt eraan dat taalkennis een sleutel is die deuren opent naar je medemens, naar begrip van alledaagse verhoudingen in je directe omgeving, naar een baan, en naar alle kennis en cultuur die in een taalgemeenschap bloeit.

En ja, dus: taalkennis is een cruciale vaardigheid om tot inclusie te komen. Alleen is inclusie niet waar het uiteindelijk om moet gaan.

Toen ik Zuid-Afrika over meertaligheid en diversiteit en inclusie praatte, stond een rijzige, trotse jongeman plots op in de zaal, staarde me een paar tellen stil aan, en zei toen heel kalm: "It is not about inclusion. It is about belonging." Het gaat niet over aanvaard worden, het gaat over je aanvaard voélen.

Het gaat er niet om dat je erbij mag, omdat je het Nederlands (en enkel dat Nederlands) geleerd hebt. Dat is maar een eerste stap. Het gaat er wel om dat de samenleving je niet enkel ziet als een succesvolle leerder van het Nederlands, maar ook als de volledige meertalige persoon die je naast dat ene facet ook bent. Dat je je dus aanvaard voelt als volwaardig mens en burger, ook omwille van al die andere talen die je maken tot wie je bent. En voor te veel mensen zoals dat meisje op bank twee komt dat 'aanvaard voelen' er nooit.

Meertaligheid als nieuwe realiteit

Als we dat aanvaard voelen belangrijk vinden voor de samenleving die we willen vorm geven, voor het soort medemens dat we willen zijn, dan is de vraag voor ons drieërlei.

Ten eerste: of we wezenlijk bereid zijn om de meertaligheid van onze samenleving als een nieuwe realiteit te aanvaarden. Of we aanvaarden dat een meertalige identiteit ook een volwaardige identiteit is, en dat die je niet minder Nederlander of Belg maakt, ook als ze iets anders is dan Nederlands-Fries of Nederlands-Frans.

En of we daarmee dan ook afstappen van het idee dat die aanvaarding een bedreiging voor het Nederlands zou betekenen. Meertalige kinderen kunnen het Nederlands zo goed leren als eentalige kinderen. Meertaligheid zorgt ook op geen enkel wijze voor een verloedering van het Nederlands. Wel voor verandering, maar dat is al eeuwen zo, en niet enkel in het Nederlands. Dat ze in Amerika met dollars betalen, komt van het Nederlandse 'daalder' uit de zeventiende eeuw, maar niemand over de plas ziet dat overblijfsel van taalcontact vandaag als een probleem of iets onwenselijks.

Voor wie eraan zou twijfelen: geen zinnig wetenschapper gelooft dat het Nederlands binnen honderd jaar uitgestorven is, noch door de opmars van het Engels, laat staan door de vele minderheidstalen in onze samenleving. Tegelijkertijd zie ik bij de toekomstgeneratie in mijn lessen dat één op de twee jongeren opgroeit in een meertalig gezin. Die werkelijkheid is er dus al.

Waarderen van de moedertaal

Ten tweede: of we bereid zijn om het leren van het Nederlands te bespoedigen bij kinderen die opgroeien in een Turkse, Roemeens, Surinaamse, Marokkaanse thuisomgeving, door die talen actief te betrekken in het leerproces.

Onderzoek wijst al jaren uit dat dat beter werkt bij die kinderen dan ons traditionele systeem. We weten ook dat het waarderen en ondersteunen van een moedertaal een belangrijke hulp kan zijn voor het aanleren van een nieuwe taal. Het zorgt ervoor dat anderstalige kinderen sneller en beter het Nederlands leren. Dat wordt internationaal ook met succes toegepast.

En toch wordt er hier dicht bij huis nauwelijks geïnvesteerd in initiatieven die daarop inspelen, meer zelfs, succesvolle proefprojecten werden afgebouwd.

En toch blijven er heel wat scholen die een kind verbieden om zijn eigen taal te spreken, en daar prat op gaan. 'In het belang van uw kind praten wij hier Nederlands,' heet het dan – en ik vraag me steeds af, of dat ook in het belang is van dat tweetalig Tamazight-Arabische meisje, op de tweede bank links.

En toch blijven er sportclubs die fier uitdragen 'wij sporten in het Nederlands'. Wat het verschil tussen zwemmen in het Nederlands en in het Frans precies is, blijft onduidelijk.

Meertaligheid stimuleren

Ten derde: of we bereid zijn om die meertaligheid te stimuleren bij onszelf, en bij onze kinderen. Nog los van het menselijke, humanistische gebaar, is er de harde economische realiteit dat we die talenkennis nodig hebben. En dat bedrijfsleiders voorop staan om de dalende interesse voor talenopleidingen te bewenen, of het sluiten van talendepartementen op universiteiten, of de afnemende kennis van een andere landstaal.

Alleen al dat welbegrepen eigenbelang vereist dat we volop inzetten op beter taalonderwijs voor onze jonge kinderen. Dat we meertalig onderwijs alle kansen geven. En dat we kinderen op de jongst mogelijke leeftijd andere talen beginnen aan te leren.

Dat ze dan misschien de intensiteit van de flamenco in het Spaans kunnen beleven, is hartverwarmend. Dat ze het genie van Jacques Brel in het Frans kunnen proeven, verandert allicht een paar levens. En dat literaire helden en journalistieke stilisten van het Nederlands weldra ook namen uit andere windstreken zullen dragen, is een droom die ik graag nog meer werkelijkheid wil zien worden, dan vandaag al het geval is.

Talige diversiteit verbindt

Elk individu heeft de fundamentele vrijheid om zijn of haar identiteit te beleven zoals hij of zij dat verkiest, in wederzijds respect voor de identiteit van de ander. Een meertalig persoon is niet beter dan een eentalige.

Maar als we als mens iets willen betekenen in en voor een samenleving, met en voor elkaar, dan zal dat in verbondenheid zijn, of niet zijn. In een wereld die steeds diverser wordt, kan talenkennis daar een verschil maken. Niet als iets wat verdeelt, maar wel als iets wat verbindt. Wat ons verbindt, als man, vrouw, ouder, buur, als mens. Zodat we begrijpen hoe de ander denkt. Opdat we in die ander een deel van ons zelf kunnen vinden en zien.

Een aantal van de ideeën die in deze tekst naar voor gebracht worden, werden door andere taalkundigen al expliciet geformuleerd. Ik verwijs in het bijzonder naar het werk van Jan Blommaert en Piet van Avermaet, die het concept van 'goede' en 'slechte' meertaligheid uitwerkten in verschillende teksten, waaronder deze. Ik herneem een deel van hun inzichten en erken uitdrukkelijk hun auteurschap ervan.