Ik heb geen recht van spreken, dacht schrijver Anne van den Dool lange tijd, als het om demonstreren ging. Telkens als mensen massaal de straat op gingen, kreeg twijfel bij haar de overhand. Maar afgelopen jaar kantelde haar blik: "Door er niet te zijn," zo schrijft ze, "kies ik meer de kant van de groep waarmee ik het oneens ben, dan de groep waarbij mijn hart ligt."

2021 was een goed protestjaar. Na redelijk eenvormige jaren waarin men met name de straat op ging om de arbeidsvoorwaarden in de eigen beroepsgroep aan te kaarten, regen we in het afgelopen jaar in rap tempo protesten rondom grote thema's als wonen, het klimaat en de coronamaatregelen aaneen.

De teksten op de borden die men massaal omhooghield, getuigden van een stelligheid die ik persoonlijk niet goed ken. Het is een communicatievorm die ik instinctief in verband breng met de toon die we geneigd te zijn gebruiken in berichten op social media: vrij van de nuance die de voors en tegens in een debat met zich meebrengen.

Ik weet nog goed wanneer ik zelf voor het eerst de kans kreeg om deel te nemen aan een massaal protest. Ik zat op de middelbare school en boven onze puberhoofden hing de dreiging van de zogeheten 1040-urennorm, die ervoor moest zorgen dat je als scholier minimaal 1040 uur per jaar in de schoolbanken doorbracht om een volwaardig diploma in ontvangst te mogen nemen.

Daarmee waren mijn schoolgenoten het vanzelfsprekend niet eens: het betekende vaker tot het achtste uur op school zitten, en daar had niemand trek in. Tussenuren zouden we niet langer hangend in het park met chips en popcorn doorbrengen, maar in een muf klaslokaal, waar een zich vervelende docent erop moest toezien dat we ons huiswerk maakten. En dus trokken veel van mijn klasgenoten op de daartoe aangewezen ochtend de straat op, waar zij voorzien van spandoeken met geschilderde stopborden met een rode streep door de 1040 hun leuzen scandeerden.

Of ze door het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) richting het Malieveld of de Amsterdamse Dam waren genavigeerd, weet ik niet eens meer. Ik was er namelijk niet bij. Ik herinner me het gebrek aan kennis dat ik voelde te hebben, de angst dat ik woorden zou uitkramen waarop ik later zou moeten terugkomen omdat iemand me vertelde hoe het werkelijk zat.

Ik was bang dat er een moment in mijn leven zou komen waarop ik moest concluderen dat ik voor het verkeerde gestreden had, of het nu een paar weken of een paar jaar later was. Natuurlijk las ik de krant en keek ik het nieuws, maar nooit had ik het gevoel het complete verhaal te horen te krijgen. Ook de argumenten van mijn klasgenoten konden me niet overtuigen: die kwamen voor mijn gevoel vooral neer op 'meer les is minder vrije tijd'.

Het klinkt misschien beladen om mijn denktrant als tiener zo te beschrijven, maar ik herinner het me glashelder. Misschien omdat ik kort daarna opnieuw met die middenmodus zou worden geconfronteerd die zo sterk contrasteerde met de scherpe scandeermeningen van veel van mijn leeftijdsgenoten.

Een van de onderdelen van het Nederlandse eindexamen was de discussie. Niet het eindeloze debatteren waarbij leerlingen staand voor de klas beurtelings zoveel minuten spreektijd kregen om hun volstrekt gefingeerde mening over hun onderwerp te spuien, zoals we de jaren daarvoor hadden moeten doen. Deze keer werden we met een leerling of vijf in een klaslokaal gezet, kregen we een stelling toegeworpen en zagen drie docenten met haviksogen toe hoe wij ons richting een uitkomst worstelden.

Nederlands was mijn favoriete vak, dus mijn ambities waren groot. Maar net als tijdens de voorbereidende gesprekken merkte ik tijdens het bewuste zweetuur dat de argumenten van mijn medediscussieerders me om de oren vlogen, terwijl ik stil aan de kant bleef zitten. Zo nu en dan wurmde ik me ertussen door de argumenten van de twee rivaliserende partijen samen te vatten en een poging te doen hen dichter bij elkaar te brengen, maar mezelf met nieuwe woorden in de strijd werpen, lukte me niet.

Uiteindelijk werden mijn verzoeningspogingen verrassend genoeg met een genereuze voldoende beoordeeld. Ook mijn bijdrage aan de discussie was waardevol geweest, verzekerde de lerares me. Ik wist niet goed of ik haar moest geloven: volgens mij zag ze in mij een van de weinige leerlingen die wellicht Nederlands zou gaan studeren, en dat knispervuurtje wilde ze zo driftig mogelijk wapperend aanwakkeren.

Ik denk met enige regelmaat terug aan beide argumentatiemomenten. Ze gaven me op vrij jonge leeftijd inzicht in de manier waarop ik toen al in discussies stond: altijd zoekend naar meer argumenten, altijd heen en weer slingerend tussen de partijen met de grootste woorden en de meeste redelijkheid.

Sindsdien is er weinig veranderd. Dat merk ik niet alleen in kleine ruzies rond de keukentafel, maar ook in de grotere vraagstukken van vandaag. Er waren de afgelopen jaren meerdere momenten waarop mensen in mijn omgeving de straat op trokken om hun stem te laten horen over het klimaat, de woningmarkt, of Black Lives Matter. Mijn socialfeeds vulden zich met scanderende vrienden en kennissen, lopend in lange proteststromen met borden boven hun hoofd geheven, voorzien van beurtelings geslaagde en minder geslaagde woordgrappen.

Steeds vroeg ik me af waarom ik daar niet liep. Niet omdat ik het niet met hen eens was: het moge duidelijk zijn dat ook ik fel gekant ben tegen institutioneel racisme, vrees voor de toekomst van Moeder Aarde en me zorgen maak of velen van mijn generatie ooit een huis zullen kunnen kopen. Maar steeds dacht ik op de bewuste protestdagen: zo'n mars is niets voor mij.

Nog steeds had ik bij al die discussies het gevoel dat ik niet voldoende inzicht had om me met een spandoek op straat te begeven; dat zou een veel te bold statement zijn ten opzichte van de twijfels die ik voelde. Had het kabinet wellicht toch geen goede argumenten om zulke voorzichtige stappen te zetten in het klimaatbeleid? Was de huizenmarkt er echt zo dramatisch aan toe dat ik daarvoor de barricaden op moest? Was ik als witte vrouw wel gerechtigd me hard te maken voor de rechten van de zwarte medemens?

Ik heb geen recht van spreken, dacht ik lange tijd – met mijn subjectieve kijk op de wereld, met mijn eindeloze getwijfel. Maar inmiddels begint mijn blik langzaam te kantelen. Bij een protest is er geen midden, en dus moet je kiezen. Je bent er of je bent er niet. Wie aanwezig is, betuigt steun. Wie afwezig is, zwijgt. Anders dan tijdens die eindexamendiscussie is tijdens zo'n mars geen ruimte voor afwegen, samenvatten en een midden zoeken.

Misschien is het niet altijd nodig om van de hoed en de rand te weten om je uit te spreken. Want door er niet te zijn, kies ik meer de kant van de groep waarmee ik het oneens ben dan de groep waarbij mijn hart ligt. Door thuis op de bank te blijven zitten, toon ik gelatenheid over een onderwerp dat me raakt.

Ik begin steeds meer te beseffen dat ik niet alle argumenten nodig heb om me bij die groep protesteerders te voegen. Ik mag mijn ogen geloven: ik zie hoe vrienden vijftien jaar op de wachtlijst staan voor een sociale huurwoning kunnen waarvoor ze tegen die tijd niet meer in aanmerking komen, hoe institutioneel racisme nog steeds aan de orde van de dag is, hoe het klimaatdebat voorlopig uit veel meer woorden dan daden bestaat.

Ik mag me tegen die situaties verzetten. Dat doe ik niet door op de bank te blijven zitten. Dat doe ik door op te staan. En dus neem ik me voor: de volgende keer dat men zich verzamelt om in opstand te komen tegen een onderwerp dat me raakt, ben ik erbij. Niet voordat ik me uitentreuren ingelezen heb. Niet voordat ik in gesprek ben gegaan met mijn omgeving. Maar vervolgens ga ik. Ik hoop dat het me lukt die moed te verzamelen.