Nadenken. Dat gaat hij doen, de nieuwe Denker des Vaderlands Paul van Tongeren. We spraken de emeritus-hoogleraar ethiek over zijn werk, zijn nieuwe functie en over de grootste filosofische vragen van onze tijd.

Paul van Tongeren mag dan wel met emeritaat zijn, met pensioen is hij zeker niet. Hij geeft nog colleges tijdens filosofische reizen, presenteert volgende maand een boek over de filosofie van de vriendschap, en is de komende twee jaar Denker des Vaderlands.

"Sinds ik met emeritaat ben, hoef ik geen papers en tentamens meer na te kijken, maar verder gaat alles door," zegt Van Tongeren. "Het werk van een filosoof heeft geen laboratorium nodig. Als je een bureau en een boekenkast hebt, heb je genoeg. Lezen, schrijven en spreken, dat is wat een filosoof doet en ik ben voorlopig niet van plan om daarmee te stoppen."

Uw voorgangers vulden hun Denkerschap in vanuit tegendenken, constructief meedenken, tussendenken, tegen meningen indenken en publiek denken. Wat gaat u doen?

"Nadenken, daar moet het mee beginnen. Dat is niet alleen een grapje als reactie op al die soorten denken, het heeft een dubbele betekenis. Ik wil, en daarin onderscheid ik me van mijn voorgangers, minder standpunten innemen in de discussie en vooral proberen om een stap terug te zetten, de beroemde Schritt züruck van Heidegger.

De tweede betekenis is na-denken. Ik ben in de eerste plaats een academisch filosoof, eerder dan een publieksfilosoof, en in mijn werk heb ik een grote nadruk gelegd op de geschiedenis van de filosofie. In mijn Denkerschap wil ik kijken naar de geschiedenis van het denken – of naar het deel dat ik ken, want de filosofie is natuurlijk veel te groot om in zijn geheel te omvatten.

Om te zien of we deze lessen kunnen herdenken en opnieuw kunnen gebruiken in onze situatie. Na-denken betekent dus het zelf nadenken van wat voordenkers hebben voorgedacht. Dat is belangrijk om naïviteit te voorkomen, want oorspronkelijkheid is vaak een gebrek aan historisch inzicht, zoals het gezegde luidt."

U plaatst zichzelf dus op een afstand van het publieke debat. Hoe gaat u als Denker des Vaderlands dan toch een bijdrage eraan leveren?

"Dat heeft te maken met de vraag wat het publieke debat eigenlijk is. Mijn voorgangers Marli Huijer en Daan Roovers beklaagden zich over het gebrek aan publiek debat. Dat verbaasde me, want ik hoor en lees haast niets anders dan alle mogelijke standpunten, opinies en argumenten. Hoe kun je dan zeggen dat er geen debat is?

Ik denk dat ze bedoelen dat er verschillende standpunten zijn, maar dat die nauwelijks met elkaar in gesprek treden. Maar precies wanneer je een stap terugzet, en kijkt naar wat er gebeurt, zie je dat er zich een debat afspeelt. Dan zie je hoe de standpunten zich tot elkaar verhouden, wat de gemeenschappelijke veronderstellingen zijn en wat het kader is waarbinnen ze met elkaar spreken.

Pas al je je niet direct engageert in het gevecht, wordt het mogelijk om het gevecht te beschrijven. Het is dus juist een engagement met het debat om niet direct in debat te gaan."

Daan Roovers wordt als Denker des Vaderlands opgevolgd door Paul van Tongeren.

Veronderstelt dat kijken vanaf de zijlijn dat u vanuit een neutrale positie spreekt?

"Natuurlijk heb ik ook mijn opinies en ik ben er niet vies van om te zeggen wat ik van dingen vind. Maar als Denker des Vaderlands vind ik dat ik de filosofische blik moet ontwikkelen en dat mag niet geïdentificeerd worden met een standpunt in het gevecht. Ik ga dus niet zeggen dat ik voor of tegen bepaalde standpunten ben, maar ik ga wel proberen om een kritische blik op het debat als zodanig naar voren te brengen. Daarin ben ik niet neutraal."

Hoe ziet die filosofische blik er concreet uit?

"Laat ik het coronadebat als voorbeeld nemen. Als je daar van een afstand naar kijkt, valt het ongeduld op bij alle partijen. Zowel bij mensen die strengere maatregelen willen als bij degenen die juist een versoepeling bepleiten. Het moet snel, het moet zo snel mogelijk, we kunnen niet langer wachten, of we willen weten hoe lang we nog moeten wachten.

Ik stel vragen bij dat ongeduld. Bijvoorbeeld: waarom zijn we zo ongeduldig, hoe zijn we zo ongeduldig geworden, hoe maken we onszelf geduldig of ongeduldig? Als filosoof wil ik attenderen op wat tegengestelde posities toch gemeenschappelijk hebben, ongeduld in dit geval. Daar kun je vervolgens een kritische vraag bij stellen. Misschien is het juist dat ongeduld zélf waar we wat aan moeten doen en waar we ons niet door zouden moeten laten leiden."

Wat zijn volgens u de belangrijkste ethische en filosofische vragen van onze tijd?

"Ik ben wars van lijstjes, maar ik zal een paar dingen noemen. In de eerste plaats denk ik dat er iets moet verschuiven in de ethiek. In ons denken over de moraal, zowel in de filosofie als in maatschappelijke en politieke discussies over morele kwesties, gaat het sterk over wat we moeten of mogen doen, of wat juist verboden is.

Ik ben ervan overtuigd dat we dat moeten aanvullen met een denken dat niet over handelingen gaat, maar over personen. Dat we niet vragen 'wat moet ik doen?', maar 'wat voor mens wil ik eigenlijk van mezelf maken?'. Ik wil, met andere woorden, het deugdethische perspectief op de persoon naar voren halen als correctie op de eenzijdige focus op handelingen en regels.

Een tweede grote uitdaging voor onze tijd is de manier waarop de mens over zichzelf denkt te midden van de overige natuur. Daar is op twee manieren iets vreemds aan. Aan de ene kant zijn we geneigd om ons zo te onderscheiden van de natuur dat die het object wordt van ons handelen, wat leidt tot de technologische verwoesting van de natuur.

Aan de andere kant, en dat is paradoxaal genoeg onderdeel van hetzelfde probleem, zijn we steeds meer geneigd om onszelf te beschrijven in termen van natuurlijke processen. Wij zijn ons brein van Dick Swaab en de neurofilosofische en -psychologische literatuur zijn daar een duidelijk symptoom van. Er ontstaat daardoor een soort gat in onze zelfkennis.

Marli Huijer was eerder ook Denker des Vaderlands.

Die schijnbaar tegenstrijdige kanten van de verhouding mens-natuur vind ik heel intrigerend. Het heeft alles te maken met concrete maatschappelijke problemen, zoals de milieuproblematiek, maar ook met de waardering voor wetenschap en met de manier waarop wij over feiten en meningen spreken.

Ik kan niet meteen zeggen hoe het anders moet, maar je moet de filosofische blik ook niet voortdurend confronteren met de vraag 'wat doen we eraan?'. Daar zijn anderen voor. Een zekere vrijblijvendheid, en ik gebruik die term als een soort geuzennaam, mag en moet de filosoof zelfs aanhouden."

Aristoteles en Nietzsche spelen een grote rol in uw werk. Waarom bent u zo gefascineerd door deze filosofen en wat kunnen ze ons leren over onze tijd?

"Eerst een klein voorbehoud. Ik beroep me niet op een hoogst belangrijk inzicht – deze twee komen in elk handboek voor – maar ik wil wel laten zien wat ze voor mij betekenen en waarom het van belang is om ze beiden vast te houden.

Aristoteles is een paradigmatische figuur van het ordedenken en het eenheidsdenken. Hij was een van de meest wetenschappelijke denkers van de oudheid en had een eindeloze nieuwsgierigheid naar alles wat er te ontdekken valt. Hij had een grote aandacht voor de variëteit in de natuur en de diversiteit in menselijke opinies vanuit de grondige overtuiging dat al die verschillende onderdelen samen een geheel vormen.

Nietzsche is daar het radicale tegendeel van. Op de plaats van de orde zette hij de chaos. Elke orde is volgens hem een constructie die je moet zien als een act in het gevecht. Het gevecht, de strijd, is zijn beeld van de chaos. Bij Nietzsche is er enkel een conflict van interpretaties.

Wij, als laatmoderne of postmoderne mensen, hebben die twee extremen in ons, zowel het ordedenken als het chaosdenken. Je ziet die dubbelheid bijvoorbeeld in hoe we denken over moraal. Enerzijds zijn we er door en door van overtuigd dat moraal altijd veranderlijk en relatief is, dat er veel verschillende morele overtuigingen zijn.

Anderzijds stuiten we op dingen die we absoluut veroordelen. Dan houden we toch vast aan een eenheid onder al die verscheidenheid. Of kijk naar het individualisme: het verlangen ons te onderscheiden enerzijds gaat gepaard met een grote massificatie anderzijds. Grote dance-evenementen zijn daar een illustratie van."

U studeerde theologie en bent gefascineerd door 'het wonder van betekenis', wat een religieuze bijklank heeft. Welke rol speelt religie in uw werk?

"Tijdens mijn studie theologie was ik vooral gericht op filosofie, maar de belangstelling voor en verwantschap met religie heb ik nog steeds. Voor mij heeft religiositeit te maken met dankbaarheid en met verwondering over de werkelijkheid. Het boekje dat ik samen met Marc van Dijk maakte (bij de benoeming tot Denker des Vaderlands, red.) hebben we expres de titel Het Wonder van Betekenis gegeven. Het wonder is zowel een filosofische als een religieuze notie."

Waar verwondert u zich over?

"Over alles! Over dat er betekenis is. Dat is eigenlijk iets heel merkwaardigs. Elke ervaring op de dag kun je als voorbeeld nemen. Je doet de gordijnen open en je ziet een betekenis: je ziet mooi weer, of rotweer. Je hoort iets en je interpreteert het als muziek, of als lawaai. Al die dingen bestaat niet als feit, maar als betekenis. De betekenis die zo massaal onze werkelijkheid bepaalt, die is niet te grijpen. Dat is toch hoogst verwonderlijk."