Nu datamonopolisten als Facebook, Google en Amazon bijna beter weten wat jouw behoeftes zijn dan jijzelf, zijn we beland in wat sociaal psycholoog Shoshana Zuboff The Age of Surveillance Capitalism noemt. Politicoloog Jan Bruin zoekt een weg uit de manipulatie en vindt die in de belasting van data.

Toen David Bowie in 1999 voorspelde dat het internet een onvoorstelbare impact zou gaan hebben op de mensheid ('There is life on Mars, and it's just landed here') downloadde ik als veertienjarige per kwartier een mp3'tje van Tupac via Napster. Internetten was een werkwoord en ik had het maandelijks aan de stok met mijn vader als de telefoonrekening binnenkwam. Het internet was schaars.

Spoelen we door naar vandaag, dan is van die schaarste niets meer over. Er zijn nagenoeg geen financiële en fysieke drempels meer om niet altijd online te zijn, en dus ook niet om altijd content (en dus data) te consumeren. Het werd steeds duidelijker wat Bowie had voorzien: het internet zou ons leven op alle mogelijke manieren beïnvloeden, als een buitenaards wezen dat zich tussen ons in nestelde.

Toezichtskapitalisme

Inmiddels leven we in een tijdperk dat door wetenschapper Shoshana Zuboff omschreven wordt als The Age of Surveillance Capitalism. Een tijd waarin de invloed van het internet en data zo ver is doorgeslagen dat bedrijven erin slagen om onze aandacht te monopoliseren en onze voorkeuren zijn gaan bepalen, en deze invloed verkopen aan de hoogste bieder.

Dit werkt ongeveer zo: een medium (Instagram, WhatsApp, LinkedIn) zorgt door middel van content (foto's van vrienden, kattenfilmpjes, video's van voetbalgeweld, spelletjes) dat wij zoveel mogelijk tijd spenderen op het betreffende platform en observeert hoe we ons daar gedragen (data). Deze gebruikersdata wordt vervolgens ingezet om de functionaliteiten (notificaties, knopjes, layout) en content verder te optimaliseren zodat wij alleen maar meer gestimuleerd worden om tijd en aandacht aan de platformen te besteden.

Er ontstaat een moment waarop de datamonopolist zó veel weet over onze voorkeuren en gedrag, dat het in staat is om precies te identificeren wanneer jij gevoelig bent voor bepaalde boodschappen (een reclame voor een datingsite, slaappillen of een politieke partij). Maar erger dan dat, het platform slaagt er inmiddels ook in om jou vatbaar te maken wanneer je dit nog niet bent.

Je wordt gemanipuleerd om open te staan voor boodschappen van adverteerders. Het feit dat een handvol bedrijven (Facebook, Alphabet/Google, Microsoft, Apple en Amazon) vrijwel ons totale internetgebruik beheerst, maakt dat we ons continu begeven in het toezichtskapitalisme, zoals Zuboff het noemt.

De gevaren van het internet

In de tijd tussen dat trage en schaarse internet uit mijn middelbare schooljaren en het huidige alom aanwezige hypersnelle internet van nu is dus iets misgegaan. Van een geweldig medium voor het delen van informatie, cultuur, contacten en ervaringen is het internet een entiteit geworden die onze geestelijke gezondheid, vriendschappen, werk, economie en zelfs het politieke systeem bedreigt. Voorbeelden van deze bedreigingen zijn er te over.

Denk aan het Cambridge Analytica-schandaal, waar de gebruikersdata van miljoenen mensen verkocht werd om politieke advertenties vóór Brexit of de Trump-campagne succesvoller te maken. Of het Facebook-algoritme dat een nepnieuwscampagne gericht tegen de etnische groep Rohingya in Myanmar mogelijk maakte en zo medeplichtig was aan genocide. Of kijk naar de toename van gevoelens van depressie, angststoornissen en zelfmoordgedachten die gerelateerd zijn aan gebruik van sociale media.

Alexander Nix, voormalig CEO van Cambridge Analytica, komt aan bij een onderzoekscommissie in Londen in 2018. Cambridge Analytica speelde een grote rol in de campagne van Trump en rondom de Brexit.

Maar ook voor de economie zijn de gevolgen rampzalig. Want businessmodellen gericht op het vergaren van data slokten al hele industrieën op onder de belofte van toekomstige winst. Denk aan Uber, dat sinds haar oprichting jaarlijks ettelijke miljarden euro's verlies draait, maar toch steevast op nieuwe investeringen kan rekenen. Waarom?

De data die haar gebruikers opleveren is (potentieel) van onschatbare waarde, en het bedrijf houdt ons een toekomst voor waarin zelfrijdende auto's het werk doen van haar huidige tientallen miljoenen chauffeurs. Wie dol is op gemak en vooruitgang zal zeggen: so what? Maar als je verder denkt, dan zie je dat Uber miljarden onttrekt aan andere potentieel interessante bedrijfsmodellen, terwijl het haar 'werknemers' zo spoedig mogelijk overbodig wil maken.

Wie echter niet meegaat in data als verdienmodel kan het erg moeilijk krijgen bij de financiering. En omdat de Ubers van deze wereld zoveel kapitaal kunnen mobiliseren is het een peulenschil voor deze bedrijven om potentiële concurrenten op te kopen voordat ze een bedreiging worden. In de huidige staat waarin het internet zich bevindt wordt concurrentie als zodanig niet gestimuleerd, maar juist onmogelijk gemaakt. Dit is slecht nieuws voor de consument.

Universele databelasting

In kritiek op het systeem worden de pijlen vaak gericht op specifieke ontwikkelingen binnen het internet (social media) of de machtigste bedrijven (de eerdergenoemde grote namen). En dat is gezien de voorbeelden hierboven ook niet zo gek. De problemen van het internet ontstaan volgens mij niet omdat bedrijven en hun CEO's zulke kwade bedoelingen hebben.

Ze ontstaan omdat ze opereren in een grenzeloze wereld waarin de belangrijkste grondstof goud waard is, maar tegelijk bijna gratis gecreëerd, verstuurd, ontvangen en opgestapeld kan worden. Nu wordt er al vaker gesproken over het belasten van grote techbedrijven, en zijn zelfs in Nederland plannen voor een databelasting gericht op de grootste verbruikers. Waar echter nog niet over gesproken wordt is het over de gehele breedte belasten van data. Kortom: een universele databelasting, geheven op het verzenden en ontvangen van data.

Zo'n belasting zou per kilobyte (KB) ingesteld kunnen worden, en zou moeten gelden voor zowel de gebruikers als aanbieders. Dit zou de werking kunnen hebben van een accijns, die bewustzijn afdwingt en gebruikers laat nadenken over het al dan niet openen van een app, doorsturen van video's of het maar blijven kijken van video's op YouTube. Het gebruik zou hierdoor afnemen, en zo zouden ook de big data bedrijven hun inkomsten en investeringen zien dalen.

Dit terwijl de kosten stevig zouden toenemen, want het eindeloos serveren van content zou per KB worden afgerekend. Veel businessmodellen van apps, spelletjes, platformen en websites zouden onrealistisch worden. En zo zou de rust voor ons als gebruikers aanzienlijk toenemen. Ook zouden partijen die nu het nakijken hebben op de markt voor financiering en menselijk kapitaal weer kunnen concurreren met de digitale bedrijven van dit moment.

Het zal in een overzichtelijker en kleiner internet gemakkelijker zijn om misinformatie tegen te gaan, wat goed nieuws is voor de democratie. Iedereen met een laptop kan vandaag besluiten om misinformatie te verspreiden. En het nepnieuws dat verspreid wordt kan oneindig worden doorgestuurd, vermenigvuldigd, en zo een heleboel schade aanrichten. En dan hebben we het nog niet over geautomatiseerde vormen van misinformatie zoals clickfarms, twitterbots, en deepfakes.

Al deze schadelijke praktijken zouden niet onmogelijk worden door een databelasting of accijns op kilobytes, maar ze zouden duurder en daarmee zeldzamer worden. En vooral onze eigen rol in de verspreiding van misinformatie (want dikwijls is het vooral de fanatieke tegenstander van een complottheorie die hem het grootste bereik bezorgt) zal aanzienlijk ingeperkt worden.

Klimaat

Als laatste zou ook het klimaat enorm gebaat zijn bij een schaarser internet. In 2020 creëerde elke persoon op aarde gemiddeld 1.7 megabyte data per seconde. De onstilbare databehoefte van de mensheid creëert zo de noodzaak voor datacenters, netwerken en zendmasten die steeds grotere hoeveelheden stroom (en koelwater) verbruiken. Het terugbrengen van de hoeveelheid data is dus iets wat het klimaat ten goede zal komen.

Dan zijn er nog de opbrengsten van een eventuele universele databelasting, en wat hiermee bereikt zou kunnen worden. Want als er gekozen wordt om een dusdanige hoeveelheid geld uit te geven aan positieve initiatieven op het gebied van mentale gezondheid, klimaat, democratie en een duurzamere en socialere economie, dan ziet de toekomst er ineens een stuk mooier uit.

Een datacenter van Microsoft langs de A7 in Middenmeer. Het center dient als hub voor clouddiensten in Europa, het Midden-Oosten en Afrika. Windmolens in de omgeving zouden hun opgewekte stroom vooral aan dit datacenter leveren, in plaats van ook aan huishoudens.

Begrijp me niet verkeerd: de vrijheid van meningsuiting en het vrije verkeer van informatie heb ik heel hoog zitten, ik ben ook bepaald geen technologie-hater en geloof al helemaal niet in een terugkeer naar een zogenaamd beter verleden. Ook zijn er ontelbare praktische en economische redenen waarom het idee van online rekeningrijden wellicht onrealistisch lijkt, en ik ga kort door de bocht als ik zeg dat dataverkeer gratis is.

De infrastructuur die ons huidige internetgebruik mogelijk maakt is niet gratis: er zitten enorme publieke en private investeringen achter. Maar een heldere link leggen tussen gebruik en kosten lijkt me een grote stap in de goede richting met veel positieve gevolgen. En het voorkomt een heleboel discussies over wat wel en niet mag met partijen die inmiddels losgezongen lijken te zijn van ons aardse systeem van wetgeving en verantwoording. Toch weer die buitenaardse wezens van Bowie.