'Geen sprintje maar een marathon', was de beeldspraak die ineens overal opdook als antwoord op de vraag hoe lang de crisis zou gaan duren. De sportmetafoor verraste filosoof Stine Jensen, want tot dan toe was de crisis in de media en door regeringsleiders steeds met een 'oorlog' vergeleken waartegen gezamenlijk 'gestreden' moest worden.

Zelf ben ik geen hardloper, en het idee van een marathon beurde mij niet bepaald op. Dan toch liever de boel 'uitzitten'. Mijn vriend daarentegen, dol op alles wat met bewegen en sport te maken heeft, klaarde er wél van op: een marathon, zei hij, dat is te doen. Gewoon een kwestie van uithoudingsvermogen en volhouden tot de finish in zicht komt. Dat de metafoor goed aansluit bij de belevingswereld van velen kan ik me wel voorstellen: ik heb nog nooit zoveel mensen zien joggen als de afgelopen tijd, alsof de dood ze op de hielen zit, maar wellicht dus in voorbereiding op die marathon.

Misschien is het zelfs zo dat hoe vaker de metafoor gebruikt wordt, hoe meer mensen gaan hardlopen. Ondenkbaar is dat niet, want metaforen doen ertoe. Een van de meest indrukwekkende theorieën over de relatie tussen taal en werkelijkheid komt van George Lakoff en Mark Johnson. In hun boek Metaphors we live by (1984) stellen zij dat we leven, denken en handelen in metaforen. De metafoor 'tijd is geld' is niet zomaar een uitdrukking, maar beïnvloedt ons gedrag. We gaan tijd als iets 'kostbaars' zien. Als een schaars goed waar je maar een bepaalde hoeveelheid van hebt. Dat heeft een impact op ons fysieke gedrag: als we ergens te laat dreigen te komen, gaan we sneller lopen, we kunnen tijd 'verliezen' met onbenullige zaken en zien 'efficiëntie' als een belangrijke waarde.

Tekst gaat verder na afbeelding

Het bestrijden van het coronavirus wordt vergeleken met het uitrennen van een marathon.

Corona als gangsterfilm

"Geen sprintje maar een marathon," is overigens niet nieuw: hij duikt vooral in economische kringen op. Frits Huffnagel gebruikte hem in 2018 om het succes van sommige citymarketing te verklaren, zoals dat van 'Eindhoven designstad' dat vast heeft gehouden aan bepaalde ideeën, daar waar Amsterdam 'I Amsterdam' liet weghalen. Economie als competitieve duursport is hier de overkoepelende metafoor.

Overigens introduceerde de overheid nog een metafoor: corona als vlotte gangsterfilm. De Gemeente Amsterdam spoot in sommige stadsdelen op stoeptegels de uitspraak '1,5 meter afstand is je mama's life saven'. En Minister Grapperhaus kwam met de vlot bedoelde videoboodschap 'slimmer chillen = corona killen', waarin hij de jeugd opriep met ideeën te komen voor dat slimmer chillen. Met een competitief element, want wekelijks worden de beste inzendingen beloond met een geldbedrag.

Spierballen overheersen

Wat mij opvalt is dat in deze crisis masculiene metaforiek van de spierballen, competitie en vechten overheerst. Een uitzondering daarop vormde psychiater Damiaan Denys, die in NRC Handelsblad opperde dat we het virus moesten 'omarmen', in een tijd van 'onzekerheid'. Het virus 'omarmen' is een fascinerende beeldspraak, want juist in deze tijden is de aanraking taboe. Hoe ziet dat omhelzen eruit? Wat betekent het om vriendschap te sluiten met het virus of de relatie daarmee als romantische film te zien? Het is in ieder geval een zachtere – vrouwelijk zo u wilt – taal waarin wellicht meer plaats ook is voor kwetsbaarheid en gevoelens.

Metaforen zijn diep cultureel verankerd. Het is dan ook moeilijk om een nieuwe metafoor te bedenken – maar ze overdenken is van groot belang omdat ze ons handelen en denken sturen. Afgelopen week las ik ineens over corona als 'noodgedwongen retraite', een soort meditatie waarin je gedwongen wordt naar binnen te keren en tot rust kan komen. Deze niet-actie metafoor legde ik enthousiast aan mijn vriend voor. De bewegingsloosheid ervan sprak hem beduidend minder aan – 'doe mij maar de marathon.' Ik ben benieuwd naar die nieuwe metaforen, vooral de minder competitieve en van oorlogstaal of economisch denken doordrenkte retoriek. Wie biedt?