Het hoge woord is eruit: na een aantal jaar piekeren, luisteren en overwegen, erkent Mark Rutte dat Zwarte Piet een racistisch symbool is waar veel Nederlanders last van hebben. Fijn. Dat is een hele verbetering, zegt schrijver Nikki Dekker.

Dat inzicht heeft hij, het moet gezegd, wel rijkelijk laat gekregen, en dan ook nog toevallig precies op het moment dat massale landelijke protesten de indruk wekken dat de algemene opinie aan het kantelen is, en Utrecht en Nijmegen hebben aangegeven dat ze van Zwarte Piet af willen.

Over 'institutioneel racisme' wilde Rutte niet spreken, want dat vindt hij maar 'sociologisch jargon'. Die weigering om het woord te gebruiken werd in de media besproken, maar een stuk minder journalisten maakten van de mogelijkheid gebruik om gelijk even uit te leggen wat institutioneel racisme dan betekent. Terwijl een goed begrip van die term nu juist ervoor zorgt dat je beter begrijpt waarom de minister-president 'm liever niet gebruikt; als Rutte erkent dat racisme in Nederland institutioneel is, erkent hij tegelijkertijd dat hij er iets aan zou kunnen, en dus ook moeten, doen.

Tekst gaat verder na video

Macht en kansen

Dat is overigens niet waarom de premier zelf zegt het woord liever te vermijden. "Het risico van de term 'institutioneel racisme'," legt Rutte uit, "Is dat je een hele grote groep mensen verliest die in de kern niet zo is."

Waar Rutte hier op doelt is volgens mij eerder 'alledaags racisme', een term die hoogleraar Philomena Essed heeft bedacht om duidelijk racistisch gemotiveerde incidenten te scheiden van de 'normale' gang van zaken in onze samenleving, waar weinig mensen echt de bedoeling hebben om racistisch te zijn, maar waar racisme en discriminatie desondanks plaatsvinden.

Institutioneel racisme is iets anders. Dat gaat over systematische discriminatie in een maatschappij; hoe macht en kansen automatisch worden toebedeeld aan witte mensen, en mensen van kleur buitensporig worden benadeeld en bestraft. Institutioneel racisme is verankerd in de werkculturen van instituties, en wordt in stand gehouden door (ogenschijnlijk neutrale) wetten, regels en protocollen.

De groep fatsoenlijke mensen die Rutte wil beschermen zijn dus niet zozeer naïeve, goedbedoelende burgers, maar eerder ambtenaren, ministers en politieagenten. En de minister-president zelf, natuurlijk. Als ik het zo allemaal op een rijtje zet, kan ik me goed voorstellen dat Rutte die term, 'institutioneel racisme', liever niet gebruikt. Sterker nog: "Ik háát die term," zegt Mark Rutte tijdens de persconferentie van 3 juni 2020. "Er is racisme in dit land, maar al die bijvoeglijk naamwoorden brengen ons in een discussie die totaal niet zinvol is."

Tekst gaat verder na video

"Doe normaal of ga weg"

Het racisme waar Mark Rutte het wél over wil hebben, is "dat er een groep mensen bestaat die […] het gevoel hebben dat zij moeten strijden tegen iets wat oneerlijk is." (Voor de oplettende lezer: het is volgens Rutte dus niet per se zo dat sommigen oneerlijk worden behandeld, maar vooral dat zij dat zo voelen.)

Op de vraag wat de minister-president daar tegen gaat doen, reageert Mark Rutte geërgerd.
"Ik ben nu tien jaar premier," zegt hij, "Ik heb altijd met veel passie over dit onderwerp gesproken."
"Maar concreet?" vraagt de journalist. Wat wil de leider van dit land daadwerkelijk ondernemen om racisme te bestrijden?
"We doen alles wat we kunnen," antwoordt de premier.

Ik was het alweer vergeten (dank voor de herinnering, Lilith Magazine), maar in 2003, toen Mark Rutte nog staatssecretaris van Sociale Zaken was, zette hij actief aan tot racisme. Zeventien jaar geleden adviseerde Rutte namelijk om mensen met een Somalische geboorteplaats vooral extra te controleren op fraude. Toen de rechtbank in 2007 oordeelde dat dit in strijd was met de wet, reageerde Rutte: "Het is hoog tijd om de wet te veranderen."

In 2015, in een interview over zijn ervaringen als docent op een middelbare school, zei de premier dat hij discriminatie niet kan oplossen, maar dat 'Mohammed' het zelf moet regelen. "Nieuwkomers hebben zich altijd moeten aanpassen, en altijd te maken gehad met vooroordelen en discriminatie. Je moet je invechten."

In 2017 schreef Rutte een brief aan alle Nederlanders, waarin hij, als minister-president, mooie woorden gaf aan de racistische oerkreet 'als het je hier niet bevalt ga je toch lekker terug naar waar je vandaan komt?!':

"Ik begrijp heel goed dat mensen denken: als je ons land zo fundamenteel afwijst, heb ik liever dat je weggaat. Dat gevoel heb ik namelijk ook. Doe normaal of ga weg."

En hoewel hij vorig jaar tot de conclusie kwam dat discriminatie 'stupide' is (omdat het niet leidt tot een succesvolle bedrijfscultuur) verbond Rutte daar nog altijd geen politiek (zoals quota, of boetes) aan. Rutte blijft erbij: er is racisme in Nederland, maar helaas is de regering niet bij machte om dat te veranderen: "Het is niet zo dat bij een probleem in de samenleving de politiek, een wet of het kabinet dat kan oplossen."

Alleen: dat is wel degelijk zo. Er is heel, heel, heel erg veel wat het kabinet kan oplossen. Mark Rutte, als je meekijkt: hier zijn websites voor, met bronnen en stappenplannen. Ook de Volkskrant zette afgelopen weekend verschillende strategieën op een rijtje in het artikel 'Waar moeten we beginnen, als we racisme in de praktijk willen aanpakken?'

Verantwoordelijkheid kabinet

Dit is niet de eerste keer dat de Nederlandse overheid gevraagd wordt haar verantwoordelijkheid te nemen. In 2015 bracht de VN een kritisch rapport uit over de staat van racisme in Nederland. Het comité maakte zich zorgen over onder andere etnische profilering bij de politie, racistische pesterijen op school en in de sport, het Nederlandse asielbeleid en de xenofobe uitspraken van extremistische politici. Ze stelden vast dat zwarte Nederlanders zijn ondervertegenwoordigd in publieke functies, en dat er in onze maatschappij nauwelijks aandacht is voor het slavernijverleden.

Deze problemen zijn niet nieuw. De persoonlijke verhalen die in kranten en op tv gedeeld worden, kennen we al lang. We weten dat er iets moet veranderen. Nu is het tijd dat de regering in actie komt. Verplicht alle scholen om les te geven over het Nederlandse slavernijverleden en (post)kolonialisme. Maak ruimte voor een breder debat over de (her)schrijving en beleving van onze geschiedenis. Schaf Zwarte Piet af, en heroverweeg dat standbeeld van Jan Pieterszoon Coen. Zet ze desnoods in een nieuw museum, zoals het Memento Park in Boedapest heeft gedaan.

En kijk vooral ook voorbij de symbolen. In Nederland is sprake van allerlei vormen van racistische discriminatie: de politie doet aan etnisch profileren en verhuurders en makelaars sluiten bepaalde mensen uit. We hebben nog altijd vormen van segregatie (de zogenaamde 'zwarte scholen') en in het onderwijs wordt het niveau van niet-witte leerlingen stelselmatig onderschat. Werkgevers en uitzendbureaus discrimineren bij sollicitaties en de Belastingdienst hanteert een aparte werkwijze voor mensen met een dubbele nationaliteit. Laat al die dingen nou stuk voor stuk onder de directe verantwoordelijkheid van het kabinet vallen: van het Ministerie van Justitie en Veiligheid tot het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Maar misschien, bedenk ik nu, bedoelt Mark Rutte zijn opmerking specifieker. Misschien vraagt hij zich af of dit kabinet in staat is om institutioneel racisme op te lossen. Dat is een goeie vraag, en eentje om een tijdje bij stil te staan. Zijn de mensen op deze foto de beste mensen om racisme in Nederland aan te pakken?

Tekst gaat verder na afbeelding 

Kabinet Rutte III

Over een jaar hebben we weer Tweede Kamerverkiezingen. Het zou fijn zijn als iedere partij in haar verkiezingsprogramma aandacht besteedt aan maatregelen om discriminatie uit te bannen. Om institutioneel racisme tegen te gaan, zullen ze echter ook naar zichzelf moeten kijken: naar hun kandidatenlijst en naar de interne partijcultuur. En dan is het aan ons om te stemmen: op een vrouw bijvoorbeeld, en dan graag iemand van kleur.