WORD LID

Schrijven om de bullshit te ontstijgen

Interview met Mano Bouzamour

, Arjan Visser

‘Flikker een eind op zeg.’ Bang voor de mening van anderen is hij niet, nooit last van gehad. Met die branie als brandstof publiceerde Mano Bouzamour (25) op zijn 22ste een succesvolle debuutroman: De Belofte van Pisa. Zijn ouders waren geschokt, het boek beledigde Allah.
‘Van mijn ouders moest ik mijn mening altijd voor me houden. Misschien ben ik daarom wel gaan schrijven.’

Mano Bouzamour is een vervelend ventje. Dat zou je tenminste kunnen denken als een interviewverzoek na veel gedoe wordt ingewilligd met de restrictie dat het hooguit een uurtje mag duren want: ‘Ik heb vakantie.’ Als alle do’s and don’ts zijn doorgenomen - ‘Ik stoor me mateloos aan de lakse voorbereiding van sommige journalisten’ - verschijnt hij eindelijk op de afgesproken plaats.                
Ga snel zitten, we hebben nog maar drie kwartier.                
“Ja, nee, sorry, sorry, dat was lomp van mij, maar ik word gestoord van al die verzoekjes.”

Dus je had liever niet meegedaan?        
“Nee, voor HUMAN magazine maak ik graag een uitzondering. Eigenlijk ben ik vooral kwaad op mezelf omdat ik niet schrijf. Ik moet aan mijn boek werken. En er speelden nog wat andere dingen: een vriend helpen met een verhuizing, een verbouwing, veel lezingen en... nou ja, I’m sorry.”

Ik las ergens dat je plezier hebben in het leven het allerbelangrijkst vindt.                    
“Dat klopt. Al dat serieuze gedoe: wat moet je ermee? Als je ergens niet blij van wordt, moet je het gewoon niet doen.”    
                
En hoe zit het dan met de dingen die je niet leuk vindt, maar toch moet doen?                 
“Die moet je als eerste wegwerken. Ik begin ook altijd met de korsten van de pizza en bewaar het middelste, lekkerste deel voor het laatst.”    
                
Dan ben je waarschijnlijk ook opgevoed met de opdracht altijd je bord leeg te eten.            
“Exact. Mijn ouders zijn in de jaren 70 vanuit Marokko naar Amsterdam gekomen. We zijn allemaal - mijn drie broers, drie zusters en ik - in de Lutmastraat geboren. We aten met z’n allen van één groot bord. Zonder bestek, met onze handen. Iedere maaltijd was een slagveld. Mijn grote broers hadden iedere keer weer het beste stukje vlees te pakken. De restjes werden door mijn ouders opgegeten. Volgens mijn vader brengt het ongeluk als je iets laat liggen. En mijn mama houdt ervan om veel te eten. Ze is erg dik, zoals veel Marokkaanse vrouwen in Amsterdam." 
     
Is jouw verlangen naar alleen maar plezier een reactie op een ongelukkige tijd?
"Nee hoor, ik heb een toffe jeugd gehad. Het was gezellig, met z’n allen in dat kleine huis in de Pijp. Ik sliep met mijn broers op één kamer, er kwamen altijd vriendjes, vriendinnetjes en familieleden over de vloer. En we keken heel veel films samen. Stoere films, oorlogsdrama’s, dat gedoe. Ik ben zo’n beetje door Hollywood opgevoed. Mijn ouders - ouderwets, zeer gelovig en analfabeet - vonden het fijn als we binnen bleven en films keken, want buiten loerde het gevaar. Een wereld vol ongelovigen die erop uit waren om je de hel in te slepen. Voor mij waren die lange filmnachten niet alleen een escape, het was ook een manier om te leren hoe ik de dingen in het echte leven moest aanpakken: de omgang met meisjes, tafelmanieren, hoe je een conversatie voert.”

Heb je wel eens het gevoel in een film te leven?           
“Ja man! Of nee, wacht, laat ik het zo zeggen: ik verlangde naar zo’n soort leven waarin alles wat je wenst ook daadwerkelijk op je pad komt. Toen ik op mijn negentiende van het lyceum kwam, besloot ik te gaan schrijven. Mijn klasgenoten gingen studeren of reizen in het Verre Oosten of zo, maar ik zou een roman publiceren, sterker nog, een bestseller, een boek dat vertaald én verfilmd zou worden. Dat is allemaal gebeurd.”    
                
Waar ligt de kern van dit verlangen?                    
“Dat weet ik niet precies. Ik weet wel dat ik tijdens het onderzoek naar mijn roman beter naar mezelf en naar mijn leven heb leren kijken. Hoe meer ik las, hoe verder ik afraakte van ideeën die ik in mijn jeugd had meegekregen. Zo was ik altijd een brave moslim geweest. Ik geloofde in Allah en ik eerde een heel legertje van Zijn profeten, ik ging met mijn vader naar de moskee, deed mee aan ramadan, maar had mezelf nooit afgevraagd waarom ik al die dingen deed. Ineens drong het tot mij door dat het niet mijn eigen keuze was geweest om moslim te zijn.”

Stelde je jezelf niet de vraag of God bestond?           
“Jawel. En ik vroeg het ook aan mijn ouders. ‘Als God bestaat, wie heeft Hém dan gemaakt?’ Het antwoord was: ‘Dit soort vragen mag je niet stellen, jongen.’ ‘Waarom niet?’ ‘Daarom niet.’ Misschien dat in die tijd de eerste barstjes in mijn geloofsovertuiging zijn ontstaan. Toen ik naar het Hervormd Lyceum ging en bij mijn witte vriendjes en vriendinnetjes over de vloer kwam, maakte ik kennis met hun lieve ouders die mij voor een volgend raadsel stelden: hoe kunnen deze wijn-drinkende, varkensvlees-etende mensen zo aardig zijn? En waarom moesten zulke lieverds in de hel belanden?”

Ben je naar een andere invulling van het begrip God gaan zoeken?
“In zekere zin heeft mijn vader daar het antwoord op gegeven. Als ik hem op straat tegenkwam en vroeg of er iemand thuis was, antwoordde hij: ‘Allah is thuis. Allah is er altijd. Overal.’ Dus, Allah bestaat ook in bomen, in dieren, in mensen, in...”

...Liefde, in seks.
“Precies!”   

Lees verder onder de foto

De Belofte Van Pisa

In de - wat mij betreft - mooiste scène van jouw boek denkt de hoofdpersoon tijdens een vrijpartij met twee meisjes aan knielende, biddende mannen in een moskee.                        
“Ik vind het nog altijd jammer dat veel moslims daar zo boos om werden. Ik heb die scène - nee, het hele boek - in zo’n liefdevolle sfeer geschreven! Het is nooit mijn bedoeling geweest om mensen te beledigen. Maar kennelijk heb ik de kracht van woorden onderschat... Ik zag mooie dingen, terwijl domme mensen er alleen maar lelijkheid in konden zien. Voor een deel begrijp ik hun woede wel; ik heb me ook onbegrepen en miskend gevoeld. Ben ik nou een Nederlander of een Marokkaan? Op een dag heb ik bewust gekozen: ik ben hier geboren, dus ik ben in de eerste plaats een Amsterdammer en ik heb, door te schrijven, een manier gevonden om alle bullshit te ontstijgen. Dat is, denk ik, precies wat de boze moslims mij kwalijk nemen. Ze willen niet dat je de boel ontstijgt. Je mag van alles vinden, maar je moet er niet over schrijven.”                     

Je wil niemand beledigen, maar tegelijkertijd heeft die reuring over het boek de verkoop wel bevorderd.
“Maar ik schrijf toch geen boeken voor de reuring? Dit is volgens mij het pad van de schrijver: zodra je verguisd én bejubeld wordt, weet je dat je goed bezig bent.”

Heb je wel eens een ander gebruikt om er zelf beter van te worden?
“Wat zeg je nou man? Gatver. Nee! Hoe kom je daar bij? Maak ik die indruk?”

Op pagina 243 van De Belofte van Pisa zegt de hoofdpersoon: ‘Op aarde zijn we allemaal in bruikleen van elkaar.
“Hij heeft een vriendin, maar ook een minnares, hij ziet dus meerdere meisjes tegelijkertijd en komt zo op de gedachte dat we allemaal in bruikleen zijn van elkaar. Dat is geestig, toch? Het gaat niet over misbruiken of parasiteren, maar over een continue uitwisseling van gedachtes en ideeën die je, op bepaalde momenten in je leven, met één of meerdere mensen kunt hebben. Iedere keer weer. Als ik zeg dat plezier voorop staat in mijn leven, bedoel ik dus niet dat ik alles voor mezelf wil houden. Ik geef je een voorbeeld. Op mijn negentiende werkte ik op het zolderkamertje in de Pijp vol overtuiging aan mijn droomdebuut en nu woon ik in de voormalige balzaal van een herenhuis aan een van de mooiste grachten in de binnenstad. Dat is een persoonlijke overwinning, maar ik deel hem met iedereen van wie ik houd. Al mijn vrienden zijn er welkom, we bestellen sushi en drinken sake, tot stervens toe. Begrijp je?”
                        
Ja, dat begrijp ik, maar ik zou je toch iets willen vragen over de prijs die je hebt moeten betalen. Daarover mocht ik niks vragen, zei je.       
“Heb ik dat echt gezegd? Sorry. Zo streng bedoelde ik het niet. Laat ik het nuanceren: ik wil het er niet al te uitgebreid over hebben.”     
                    
Je hebt sinds het verschijnen van je roman geen contact meer met je ouders.            
“Nee. Ze hebben via via vernomen dat het boek blasfemisch zou zijn. In de ogen van de Marokkaanse gemeenschap heb ik een doodzonde begaan - ik heb een fucking boek geschreven! Dat is alles. Het had trouwens ook godslasterlijk mogen zijn; ik vind dat je alles mag zeggen. Niet dat ik iets over geitenneuken wil roepen of zo - als je wilt provoceren moet je dat wel stijlvol doen. Mijn ouders hebben altijd benadrukt dat ik me gedeisd moest houden. ‘Hou je mening voor je!’ Misschien ben ik daarom wel schrijver en columnist geworden... Ik vind het verdrietig dat ik mijn vader en moeder niet meer zie, maar ik weet tegelijkertijd dat we onverminderd veel van elkaar houden. Ik wil gewoon met dat hypocriete wereldje niks meer te maken hebben.”

In de literatuur kan de kennis van hypocrisie nog goed van pas komen.
“Dat is waar. Rechttoe-rechtaan is saai. Wat dat betreft gaat het er in een boek vaak net zo aan toe als in een doorsnee Marokkaans gezin.”

Heb je nog meer bruikbare dingen aan je jeugd overgehouden?
“De straatcultuur. De branie. Je maakt mij niks. Die mentaliteit bezit ik nog steeds. Ik vond op mijn negentiende dat ik een verhaal te vertellen had en een jaar later had ik mijn boek geschreven. Ik heb vrienden, ouder dan ik, die doodsbang zijn om te publiceren. Bang voor de mening van anderen. Daar heb ik nooit last van gehad. Flikker een eind op zeg. Het waren niet alleen de verhalen op straat waar ik naar luisterde, ook de poëtische lyrics van Tupac, Ice Cube en Jay-Z heb ik in me opgenomen en gaven mij ontzettend veel zelf- vertrouwen. Ik printte die teksten uit, nieuwsgierig naar wat die rappers te zeggen hadden. Ik kan goed teksten onthouden. Op de Koranschool heb ik hele lappen uit mijn hoofd geleerd, maar daar vertellen ze je niet wat het betekent. ‘Maakt niet uit,’ zeiden ze, ‘door die teksten uit te spreken, reinig je de ziel.’ Doe gewoon wat er gezegd wordt. Zelf nadenken is niet nodig. Bismillahi rahmani rahim. Alhamdu lillahi rabbi al-’alamien. Arahmani rahim. Maliki yawmi-din. Iyaka na’buddu wa iyaka nasta’in. Ihdina-sirata al-mustaqim. Si- rata-ladina an’amta ‘alayhim ghayril ma’dubi ‘alayhim wa ladalin.”

Wat zei je nou?                   
“Dat is het eerste vers, iets waarin je Allah vraagt je te leiden naar het rechte pad en dat soort gelul. Zal ik het je leren? Misschien wel handig als je ooit door IS gevangen wordt genomen.”         

Het is toch niet alleen maar gelul? Er staan ook mooie dingen in de Koran.
“Tuurlijk, je kunt in alles de schoonheid zien. Het eerste woord in de Koran is Iqra, lees: onderricht jezelf... ik moet nu ineens denken aan die keer dat mijn vader een nieuwe wasmachine had gekocht. Hij zat ontzettend met dat ding te kloten. Terwijl hij wezenloos naar de gebruiksaanwijzing staarde, zei ik tegen hem: ‘Papa, wat is het eerste woord in de Koran?’ ‘Iqra.’ ‘Juist! Als je nou godverdomme eindelijk de taal eens leert, lukt het je de volgende keer waarschijnlijk ook om zo’n wasmachine aan de praat krijgen!’ Daar moesten we vervolgens allebei erg hard om lachen... Maar hoe kom ik hier nou op? Ik praat te veel hè?”

Nee hoor, maar je weet wel dat we hier al meer dan twee uur zitten?
“Jezus! Ik moet echt weer gaan schrijven nu!”

Hij haalt een hand door zijn kuif en komt met tegenzin overeind. Handen schudden, even huggen, lachen en dan naar buiten. ‘Was erg leuk!’ roept hij nog.     

Meer interviews? Lees HUMAN Magazine hier!