'Alles wat er is, alles wat wij zijn, is in essentie liefde. Dat geldt ook voor het recht – zonder liefde wordt de rechtspraak oppervlakkig en voor de bühne.'

Tijdens mijn opleiding tot officier van justitie werkte ik ook een tijd als rechter. Je kunt je voorstellen dat dit best wel een ding was. Ik had heel vaak rechters hun werk zien doen, maar zelf over iemands lot oordelen is niet niks. Ik zal dan ook nooit het moment vergeten dat ik voor het eerst als voorzitter van de Meervoudige Kamer zat. Ik was nog geen dertig, mijn toga voelde nog veel te groot. Ik had de zaak tot in de puntjes voorbereid en zat als jongste lid van de rechtbank in het midden, met twee ervaren rechters en de griffier aan beide zijden. Daarnaast de officier van justitie, en in de zaal de advocaat, het slachtoffer en journalisten. En ik had als voorzitter de regie. De zitting betrof een man wiens zoon op een warme zomeravond in elkaar geslagen was. De politie was ter plaatse geweest, maar de vader besloot om samen met zijn zoon op zoek te gaan naar de daders.

Dat deed hij in een grote zware auto, met zo'n 80 km/u door een woonwijk. Over de stoep, slalommend over het fietspad, dwars over een rotonde, tegen het verkeer in, totdat hij uiteindelijk iemand aanreed. Een onschuldige jongen van 16 op een scooter. Op de filmpjes die omstanders hadden gemaakt hoorden wij de knal, het geknars van staal op asfalt en het gegil van de mensen die eromheen stonden. De heftigheid van die beelden maakten grote indruk op mij.

De jongen overleefde het, gelukkig ook zonder al te veel letsel. Maar de man stond terecht voor poging tot doodslag, omdat de jongen wel dood had kunnen zijn. Volgens de man, nu verdachte, was het nooit zijn bedoeling geweest om de jongen aan te rijden, laat staan dood te maken.

Voor ons, de drie rechters, lag er een juridische puzzel, want we moesten uit het bewijs dat er lag proberen te achterhalen in welke mate deze man schuldig was. Was het echt een ongeluk? Of had hij moeten weten dat zoiets kon gebeuren als hij reed zoals hij deed? Tegelijk zaten wij allemaal met de vraag waarom een schijnbaar normale man zonder strafblad ineens zoiets roekeloos zou doen.

Hier hebben wij veel naar gevraagd, voor de juridische puzzel, maar ook omdat wij het gewoon wilden begrijpen. Het gesprek verliep aanvankelijk moeizaam, we begrepen elkaar niet en de man vond het hele proces oneerlijk – zijn zoon was tenslotte in elkaar geslagen.

Mededogen en compassie

Wij, de rechtbank, hadden hem op papier kunnen veroordelen. Ieder redelijk mens snapt toch dat als je wild door de straten rijdt, er een risico is dat je iemand aanrijdt? En toch vond ik het van noodzakelijk belang voor het slachtoffer, voor de rechtbank en voor de verdachte zelf, om door dat pantser van stilte en ontkenning te breken. Ook al was het mijn eerste keer als voorzitter, en ook al zat er pers in de zaal: ik besloot om iets anders te doen.

Ik haalde diep adem, zette mijn gedachten en zorgvuldige voorbereiding even opzij, en keek de man recht aan. Ik zei: 'Meneer, u hoort ons allemaal vragen stellen. Wij zien een rustige man en betrokken vader die ineens iets heel vreemds en gevaarlijks heeft gedaan, en we snappen het niet. Wat dacht u zelf toen u die auto in stapte? Hoe voelt het voor u nu om hier te zitten?' Na een lange stilte brak zijn stem en begon hij voor het eerst die dag echt te vertellen. Dat hij zich machteloos had gevoeld toen zijn zoon in elkaar werd geslagen. Dat hij gefaald had als vader omdat hij zijn zoon niet had kunnen beschermen. Dat hij bang was geweest. En boos.

Dit antwoord hielp ons om de juridische puzzel beter in te vullen, wat waardevol was. Wat nog bijzonderder was, was de voelbare magie van dat moment waarin wij de setting konden ontstijgen en tot de kern van de zaak konden doordringen.

Wat veranderde er toen ik besloot om adem te halen en mijn gedachten opzij te zetten? Wat er gebeurde was dat ik de vragen met liefde kon stellen. Geen romantische of verliefde liefde, maar liefde in de zin van mededogen en compassie.

Ik ben opgegroeid met het Soefisme van Hazrat Inayat Khan, waarin het fundamentele idee is dat dit soort liefde de essentie van het bestaan is. Wij zeggen, Ishk'allah mahbud allah. God is liefde, geliefde en liefhebbende. Alles wat er is, alles wat wij zijn, is in essentie liefde.

De bekende Soefidichter uit Perzië, Jelaludin Rumi, zegt in een gedicht:
Werk aan je versteende kwaliteiten en ga glimmen als een robijn
Oefen in zelfontkenning en accepteer moeilijkheden
Voor oneindig leven moet je je ego achter je laten
Onder de ruwe steen zal de robijn zichtbaar worden

Zelfontkenning betekent hier letterlijk het ontkennen van je 'zelf'. Dat wij moeten leren om ons 'zelf', ons ego, in toom te houden. In het Westen zijn wij geneigd om te denken dat wij juist ons ego zijn. 'Zo ben ik nou eenmaal', zeggen we, 'zo zit ik in elkaar'. Terwijl in het Soefisme, wat haar oorsprong in het Midden-Oosten en Azië heeft, het juist gaat om wat eronder zit. Wat ons verbindt. Inayat Khan vergelijkt die liefde met een vonk die diep in je zit, wat Rumi de robijn noemt. Je ego is als as, of als een steen, wat daaromheen zit. De opdracht is om die vonk aan te wakkeren en die door de steen te laten breken.

Als je eraan werkt om je steenachtige kant te verzwakken of zelfs uit te schakelen, kan de schoonheid van liefde zichtbaar worden. Om dit te doen mediteren Soefi's veel, alleen en samen, maken we muziek en poëzie, en blijven wij vooral in het dagelijkse leven oefenen.

Dit is misschien niet wat je had verwacht, dat de vrouw die voor de kost mensen de bak in stuurt het over liefde en meditatie zou gaan hebben? Een hippie in schaapskleren! Misschien vind je het ook heel hippie-achtig klinken, maar vergis je niet: het vergt veel discipline en juist in mijn beroep hebben wij dit soort liefde nodig.

Zonder die liefde wordt de dans van het strafrecht namelijk heel oppervlakkig. Die dans is altijd hetzelfde, in alle strafzaken: 
1. is er genoeg bewijs? 
2. is het feit strafbaar? 
3. is de verdachte strafbaar? 
4. welke straf moet er volgen?
Zonder verlangen om de ander echt te zien, wordt het een dans zonder leider, zonder volger, zonder schoonheid. Ik durf zelfs te zeggen: zonder liefde is het zinloos.

In mijn beroep als officier van justitie ontmoet ik een heleboel mensen die niet bepaald uit liefde hebben gehandeld. Ik vind het zelf soms ook moeilijk om hen met liefde en compassie te bejegenen. Soms, bij mensen die gruwelijke of egoïstische dingen hebben gedaan, denk ik dat de grens van mijn mededogen is bereikt. Zoals de man die rücksichtslos een onschuldige tiener aanrijdt. En toch, omdat het mijn taak is om waarheid te vinden, moet ik dat juist blijven doen. Mijn ego – angsten en vooroordelen – moet daarbij niet in de weg staan. Alleen door dat ego opzij te zetten kan ik tot een zuiver oordeel komen.

Natuurlijk blijven de kaders van de wet vastomlijnd – de vier passen van de dans zijn altijd hetzelfde, de choreografie ligt vast. En die dans uitvoeren met liefde betekent ook niet dat ik tot een ander oordeel kom over de feiten. Het betekent ook niet dat ik minder scherp of volhardend ben in het aansturen van de opsporing. Wij gaat tot het uiterste om de dader te pakken. Maar: het geeft mij de kans om de mens te zien die de feiten gepleegd heeft. Om te doorgronden waarom hij tot zijn daad is gekomen. Het gaat erom dat het proces waardevol is. In een beroep dat over mensen oordeelt, is het erkennen van die menselijkheid een waarde op zich. Ook al verandert de straf niet, is het essentieel dat iedereen zich gehoord voelt. Rechters en officieren moeten de moed hebben om hun harten te openen, en niet alleen om de juridische puzzel in te vullen.

Uiteindelijk neemt iedere rechter of officier van justitie zichzelf altijd mee de zaal in, en we kunnen ons daar maar beter bewust van zijn. Onze toga's vertegenwoordigen als het ware een stukje van iemands vrijheid. Die van jou, omdat je als burger een deel van je vrijheid afstaat in ruil voor veiligheid. En die van de verdachte, wiens vrijheid afgepakt wordt als straf voor zijn misdrijf. In het licht van deze verantwoordelijkheid is het letterlijk van levensbelang dat de persoon die de toga draagt daar zorgvuldig en met liefde mee omgaat.

Hoe liep het af voor de man met de snelle auto? Hij werd, geheel conform de wet, veroordeeld tot een lange werkstraf en een rijontzegging, en hij moest de schade betalen die het slachtoffer had geleden. Ik hoop oprecht dat deze straf het slachtoffer en zijn moeder het gevoel hebben gegeven dat het recht heeft gezegevierd. En dat het de dader weerhoudt in de toekomst. Maar ik weet eigenlijk zeker dat het magische moment in de rechtszaal, waarin wij allemaal even ons gedeelde mens-zijn ervaarden, minstens zo belangrijk was voor het herstellen van de rechtsorde. Zonder liefde was dat niet gelukt. En daarom zal ik die waarde altijd blijven uitdragen.

brainwash