Een boek schrijven, een bedrijf starten, of bakken met geld verdiend hebben. Het lijkt wel alsof we steeds jonger, steeds succesvoller moeten zijn, stelt schrijver Anne van den Dool. Maar waarom zou je zo vroeg mogelijk binnen willen zijn, zonder ruimte om te verlangen?

Voor onze tweede date had hij een auto van een vriend geleend. Hij stond geparkeerd op de Korte Mare; Norah Jones klonk gedempt door de autoramen.

We zetten koers naar een restaurant waar ik tijdens mijn jeugd graag en veel was gekomen. Ik had geprobeerd in te schatten of het een plek was die bij deze Delftse jongen paste, met zijn zuivere stem en zijn doelmatige bewegingen. En toch, de gedachte dat ik fout zou zitten, maakte me niet zenuwachtig zoals bij anderen: hij leek alles wat ik deed te observeren met de interesse die je als kind in je lievelingsdier toont wanneer je plots voor zijn verblijf in Artis staat. Grote ogen, een brede lach.

Hij parkeerde ons naast de oude boerderij, in het schemerdonker van de straatverlichting. Achter de ramen lachten mensen, hieven ze hun glas. We keken elkaar aan.

"Ik hoef eigenlijk niet zo nodig naar binnen," zei hij. 
"Dan moeten we Norah hier alleen achterlaten," zei ik.

Hij maakte zijn gordel los, nestelde zich liggend op mijn schoot, de versnellingspook tegen zijn onderarm. Zijn hoofd voelde warm op mijn bovenbenen. Ik vroeg me af hoe ik er in deze positie uitzag. Vast veel onderkin, grote neusgaten.

"Zeg," begon hij. "Ik vond online iets wat je me nog niet had verteld."
Onze eerste date, een paar dagen geleden, had zich gevuld met woorden over het nieuwe evenementenbedrijf dat hij onlangs was begonnen. Hij had zijn eerste stappen in de branche gezet toen hij op zijn zeventiende het eindfeest van zijn middelbare school had getransformeerd tot een luxueuze beachparty. Sindsdien had hij studies afgeraffeld om maar te kunnen werken aan dat ene doel: voor zijn 35ste levensjaar binnen zijn. Wat binnen zijn precies betekende, dat kon hij me nog niet precies uitleggen.

Literair nog niet wilsbekaam

Zijn verhaal had ambitieus en eerlijk geklonken, niet aangedikt. Hij had niet alleen verteld over de successen, maar ook over het faillissement dat hij een paar maanden geleden had moeten aanvragen, na een misgelopen vergunningskwestie. Ik op mijn beurt had daarover op zijn Facebookprofiel gelezen: in een uitgebreide post, voorzien van een stockfoto van een achtbaan, had hij afgelopen oktober verslag gedaan van het einde van zijn eerste eigen bedrijf, en de ups en downs die bij dat project hadden gehoord.

"Wat niet verteld?" vroeg ik.
"Je boek," riep hij uit. "Je hebt een boek geschreven. Dat doet niet zomaar iedereen – en zeker niet op deze leeftijd."

Deze leeftijd. Een paar jaar daarvoor had ik, op mijn negentiende, een handtekening gezet onder twee contracten. Daarmee was ik de jongste Querido-auteur in de geschiedenis van de uitgeverij. Zo jong was ik, dat critici in de recensies over mijn eerste roman mijn zogenaamde fouten niet eens aan mij toeschreven, maar aan mijn redacteur, die mijn misstappen had moeten corrigeren. Een Volkskrant-columnist had zijn snedige verhaal – toepasselijk – van een afbeelding van een luier voorzien. Literair gezien was ik blijkbaar nog niet eens zindelijk, laat staan wilsbekwaam.

"Zeg jij," kaatste ik terug. "Jij hebt een stuk eerder gepiekt, met je prom night."
Hij haalde zijn schouders op. "Feestjes blijven niet. Je tuigt de boel op, mensen hebben een mooie avond en naderhand moet iemand het opruimen."
"De herinneringen blijven," antwoordde ik.

Vroeg pieken is het nieuwe doorhalen

Wat we toen bespraken, bindt ons nog steeds: de ogen van de wereld die gevoelsmatig op je gericht zijn, omdat je op jonge leeftijd een prestatie leverde die hen bijna het predicaat wonderkind deed opplakken, en die hen deed verwachten dat je voortaan alles in je leven eerder zou doen dan anderen.

Enkele maanden na onze eerste ontmoeting werd hij 25, en toen ik hem zingend wakker maakte, verborg hij zijn gezicht in zijn kussen. Hij had de 25 onder de 25 niet gehaald, een ranglijst voor veelbelovende ondernemers waarop hij, in tegenstelling tot zijn net zo driftig entrepeneurende neef, nooit meer terecht zou kunnen komen.

Vroeg pieken is het nieuwe doorhalen. Ik hoorde iemand die uitgaanskreet voor het eerst roepen toen hij al om een uur of tien richting de kroeg vertrok, maar heb hem in gedachten altijd toegepast op de manier waarop steeds meer ambitieuze jongelingen hun carrière inrichten. De race om de jongste te zijn wordt in alle branches gestreden: van boekenbusiness tot evenementensector, van politieke arena tot ict-handel. Je bent nooit te jong om je eigen bitcoinbedrijf te hebben, een huurfietsenhandel op te zetten, miljoenen binnen te halen met de verkoop van een zelfopwarmende lunchbox.

Toen ik door de 25 onder de 25 van afgelopen jaar bladerde, kreeg ik spontaan een minderwaardigheidscomplex: het voelde alsof ik de race om het bedenken, produceren en verspreiden van duurzame rietjes, ecologisch geproduceerde stoeptegels en de eerste wortel die naar knakworst smaakt, stuk voor stuk had verloren.

Net als mijn geliefde zie ik de tijd soms angstaanjagend snel wegtikken, kijk ik met jaloerse ogen naar de geboortedata van hen die op jonge leeftijd al grootse prestaties hebben neergezet. Soms dwingt mijn brein me om me vooral bezig te houden met alles wat ik niet heb gedaan: niet deelgenomen aan de Olympische Spelen, niet op het juiste moment die ene veelbelovende cryptomunt ingekocht, geen bedrijf opgezet met meerdere werknemers in een strak Amsterdams kantoor.

Waarom zo vroeg mogelijk binnen zijn?

Om mezelf gerust te stellen, zoek ik op zulke momenten op internet naar de leeftijden waarop mijn literaire voorbeelden debuteerden. Jan Wolkers was 36 toen hij debuteerde met Serpentina's Petticoat, een verhalenbundel die nadien volstrekt ondergesneeuwd is geraakt door het succes van Terug naar Oegstgeest en Turks Fruit. Op dezelfde leeftijd maakte Connie Palmen furore met haar debuut De Wetten, waarvan ze onnoemelijk veel exemplaren verkocht. Even oud was Adriaan van Dis toen hij zijn eerste novelle, Nathan Sid, publiceerde.

Dan realiseer ik me hoe vreemd die leeftijdsstrijd van tegenwoordig eigenlijk is. Want wat heeft het eigenlijk voor zin om zo jong mogelijk te willen zijn op het moment dat je je ultieme doel bereikt? Waarom zou je zo vroeg mogelijk binnen willen zijn, zonder ruimte om te verlangen? Waarom zouden we groots presterende adolescenten, soms zelfs pubers, zo graag op een sokkel willen hijsen? Is het diepgravender dan enkel de interesse in alles wat afwijkt, bijzonder is?

Wat we omhelzen door het bijzonder te vinden, maken we tenslotte vanzelf normaal. Ik kijk er niet eens meer van op als een klasgenoot van de middelbare school op LinkedIn laat weten doorgestoten te zijn naar een senior-positie, een kennis van mijn studie te gast was in een talkshow als zogenaamde klimaatexpert, of mijn oude buurmeisje de prijs heeft gewonnen voor meest succesvolle entrepeneur van het jaar.

Wanneer ik zulke berichten zie, kijk ik naar de foto's, zoom ik in op de gezichten, probeer ik te zien wie gelukkiger kijkt: het kind in de spotlight of de ouders eromheen. Want soms voelt het alsof deze tijd liever wonderkinderen wil produceren, dan dat de kinderen dat zelf willen, en hen harder en harder laat rennen, tegen elkaar, tegen hun eigen kunnen.

Steeds een nieuwe streep

Af en toe denk ik terug aan de luiercolumn en voelt het alsof die bespreker gelijk had: dat iemand mij voor mijn jonge keuzes had moeten behoeden. Zodat ik niet had meegerend in een race die mijns inziens volstrekt irrelevant is: die van het eerst bij de finish zijn in plaats van te genieten van de rit. Want wie het eerst over de eindstreep wil rennen, mist wat hij onderweg ziet.

Mijn geliefde verdringt de gedachte dat hij vriendschappen heeft verwaarloosd en feestjes heeft gemist in een poging zijn doelen te bereiken – feiten waaraan ik hem eens in de zoveel tijd probeer te herinneren, maar die hij achter in de lades van zijn gedachten drukt. Evenmin verschijnen die beelden op mijn tijdlijn: de beelden van urenlange telefoontjes tijdens vakanties, van nachtenlang doorhalen, van uitgeput naast me komen liggen als de zon alweer opkomt.

Zijn eeuwige streven roept bij mij de vraag op wat die wens tot succes überhaupt zo prangend maakt. In hoeverre we daarnaar zoeken voor onszelf of juist voor het beeld van anderen, en of die twee wel uit elkaar te halen zijn. Welke vormen het allemaal kan aannemen, en waarom de wens van de een om de top te bereiken aan de ander juist volstrekt voorbijgaat. Misschien komt het uiteindelijk neer op een simpel gezien worden, opgemerkt, uiting geven aan de wens in de ogen van anderen daadkrachtig, strijdlustig of in elk geval bijzonder te zijn.

Over een paar maanden wordt mijn geliefde dertig. Ondanks zijn tientallen werknemers, zijn flitsende leaseauto en zijn lidmaatschappen van commissies, besturen en raden, ligt hij niet op schema. Het personeelsbestand had harder moeten groeien, zijn bedrijf had financieel gezonder moeten zijn. Ik hoop dat ik hem op de ochtend van zijn verjaardag in de ogen kan kijken als hij wakker wordt, en hem kan geruststellen dat hij niet nog vijf jaar maar een heel leven te gaan heeft. Een leven waarin hij niet zo vroeg mogelijk hoeft te pieken, maar om zich heen kan kijken op weg naar steeds een nieuwe streep.