In veel landen verschuift het brandpunt van de corona-epidemie nu naar de kern: de strijd op de intensive care. Hoe kijken we aan tegen de artsen en het zorgpersoneel die van minuut tot minuut vechten om levens te redden, vraagt filmjournalist Gawie Keyser zich af.

'De intensive care'. Zelf ben ik er nooit geweest. Wel op de spoedeisende hulp. Dit gescheurd. Dat gebroken. Zoon met een gat in z'n hoofd. Wat mij altijd is bijgebleven, is de enorme rust aldaar. Zorgpersoneel en artsen liepen rond als verkopers in een meubelboulevard; ik hoorde nog net niet een rustgevende Mantovani-melodie via luidsprekers in het plafond.

"Als de nood aan de man is, luister ik liever naar artsen en zorgpersoneel dan naar filosofen. Maar ook hún werkgebied — de verbeelding — is onmisbaar."

Een vertekend beeld. Een beeld uit pre-corona-tijden. In vele landen is de werkelijkheid nu radicaal anders. Daar is het alle hens aan dek; hulpverleners zijn in de loopgraven. Dit wordt bevestigd door reportages uit Italië waar het coronavirus een verschrikkelijke ravage aanricht. Wanhopige artsen. Verplegers met striemen in het gezicht van het langdurig dragen van mondkapjes. Patiënten liggend op de grond vanwege een gebrek aan bedden. Stervenden in zuurstoftenten.

De strijd tegen het virus is een 'oorlog'. Dat zeggen regeringsleiders in niet mis te verstane retoriek. In de Verenigde Staten waar politiek en melodrama traditioneel niet van elkaar te onderscheiden zijn, maar ook bij ons waar de epidemie en de tegenmaatregelen bewust en onbewust leiden tot vergelijkingen met oorlogssituaties.

Tijdens een briefing in de Tweede Kamer werd de omvang van crisis bij ons duidelijk. 'Ik wil benadrukken: op dit moment is het erg spannend. Alles kraakt,' zei Diederik Gommers, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care.

Drukte op een intensive care in Italiƫ.

Een rampscenario ontvouwt zicht als er sprake zou zijn van 'oorlogstriage', aldus Gommers, dat wil zeggen dat zorgpersoneel binnengekomen patiënten gaat selecteren op basis van urgentie. Zover is het in Nederland nog niet, maar berichten uit Italië, epicentrum van de uitbraak in Europa, duiden erop dat dit zich daar wel afspeelt.

Het spant erom of Nederland over genoeg bedden op de intensive care zal beschikken. Op 1 april zullen er 1600 bedden nodig zijn. En dat aantal halen we nu niet. Daar komt bij dat de piek op de intensive care pas eind mei wordt verwacht.

Filosofen zijn erger dan schrijvers

Terwijl ik het nieuws volg vervagen mijn eigen herinneringen aan het ziekenhuis en maken die plaatst voor beelden die meer overeenkomen met die uit Italië. Beelden uit het domein van de verbeelding. Beelden uit televisieseries die zich afspelen in ziekenhuizen. Het is een heel genre, van General Hospital uit de jaren zestig tot ER uit de jaren negentig.

In de geschiedenis van televisiedrama is er tot op heden geen moment zonder een ziekenhuisserie geweest. Ik vraag me af waarom dat zo is en wat we er nu aan hebben. Wat schieten we op met een gedramatiseerde weergave van een verschrikkelijke werkelijkheid?

In de Volkskrant lees ik Max Pam: "Filosofen zijn erger dan schrijvers: in crisistijden heb je helemaal niets aan ze." Als bewijs verwijst Pam naar de Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum, onlangs nog in Nederland. Pam: "Terwijl de medische wetenschap op volle sterkte op zoek is naar een medicijn tegen het virus, terwijl artsen en verplegend personeel zich met gevaar voor eigen leven uitputten om het leven van anderen te redden, wijst zij erop 'dat de mensheid onverminderd worstelt met liefde, angst en verlies."

Ik denk dat Pam het goed ziet: in crisistijden hebben we meer aan medicijnen ontwikkelen dan aan filosofen met abstracte gedachten. Maar dat worstelen met "liefde, angst en verlies" is óók deel van de huidige werkelijkheid. En in het omgaan met deze gevoelens hebben we juist weinig aan artsen — filosofen en schrijvers kunnen als makelaars van de verbeelding veel meer uitrichten.

Verbeelding is onmisbaar

Een fragment uit de eerste aflevering van de serie MASH, waarin dokters humor gebruiken om om te gaan met de ernstige situatie waarin ze verkeren.

De beste filosofen op de intensive care heten Hawkeye Pierce en Trapper John. Hoofdpersonen in M*A*S*H (1972 - 1983). Setting: een Mobile Army Surgical Hospital van het Amerikaanse leger ten tijde van de Koreaanse Oorlog. In een van de mooiste afleveringen belandt een Noord-Koreaanse soldaat op de intensive care van de 4077. Hij heeft dringend een bloedtransfusie nodig, maar Frank, eeuwige schlemiel, weigert dat. Te weinig bedden. Waarop Hawkeye en Trapper 's nachts bloed van Frank aftappen terwijl die slaapt en dat aan de gewonde geven.

De serie vermengt humor met ernst. In veel afleveringen zien we precies hoe het eraan toe gaat: vermoeidheid bij het personeel, riskante operaties, chaos en bloed, artsen die onmogelijke keuzes maken. De harde werkelijkheid is altijd aanwezig, maar nooit verliezen Hawkeye en Trapper het menselijke uit het oog. Dat betekent: behalve wat betreft het lichamelijke, ook aandacht voor kwetsbaarheid als het gaat om gevoel en denken. Sterker, we zien hen vaker patiënten helpen om te gaan met 'liefde, angst en verdriet' dan dat ze op miraculeuze wijze levens redden.

Als de nood aan de man is op de intensive care, luister ik liever naar artsen en zorgpersoneel (en wetenschappers) dan naar schrijvers en filosofen. Maar ook hún werkgebied — de verbeelding — is onmisbaar. De wetenschap maakt, de verbeelding maakt dragelijk. Ligt hierin de balans?

In de komende weken zal Gawie Keyser op deze plaats verslag doen van specifieke film- en literatuurverhalen die de actuele werkelijkheid rond de coronaviruscrisis weerspiegelen.