Brainwash Talks

Karwan Fatah-Black: het slavernijverleden

Praten we eindelijk een keer over het slavernijverleden, is dat gesprek doorspekt van drogredenen en dooddoeners. In Brainwash Talks scheidt historicus Karwan Fatah-Black feit van fictie.

Institutioneel racisme, etnisch profileren, het wegwuiven hiervan en de grote onwetendheid hierover zijn een ding in Nederland. Aangewakkerd door de protesten onder de vlag van Black Lives Matter na de dood van George Floyd doen ook wij aan (zelf)onderzoek naar systemisch racisme.

"We beginnen in Nederland langzaam maar zeker een gesprek te voeren over het slavernijverleden. Er gaan ook argumenten rond om te proberen dat gesprek weer af te kappen, allemaal dooddoeners om het er maar niet over te hoeven hebben. Om er maar niet meer over te praten dat het slavernijverleden iets met de Nederlandse geschiedenis te maken heeft en misschien zelfs ook met Nederland nu. Die dooddoeners bagatelliseren en banaliseren het slavernijverleden, alsof het niets bijzonders was. En ze zijn er vaak op gericht om een breuk te creëren tussen de geschiedenis van slavernij en de rest van de Nederlandse geschiedenis.

Dat is heel raar. Want stel, we beginnen de geschiedenis van Nederland bij de opstand van Willem van Oranje tot nu, dan is de betrokkenheid bij de trans-Atlantische slavernij veel langer dan de periode dat we daar niet bij betrokken zijn geweest. Dus wil ik het hebben over die dooddoeners die ik zo vaak hoor, zoals: 'Maar alle samenlevingen in het verleden hadden toch slavernij?' En: 'Ja, in de 18e en 19e eeuw hadden arbeiders het ook niet makkelijk.'

Om eerst maar te beginnen met het idee dat alle samenlevingen slavernij kenden: dat is een beetje te makkelijk. Slavernij-onderzoekers maken onderscheid tussen samenlevingen zijn die gebaseerd zijn op slavernij en samenlevingen waar slavernij als fenomeen voorkomt. Dat laatste komt vaker voor, van dat eerste type, waarbij de economie draait op slavenarbeid en de welvaart van de elite afkomstig is van slavernij, zijn er niet zo heel veel. Een duidelijk historisch voorbeeld is het oude Rome. Delen van het Romeinse Rijk kenden zeer grootschalige slavernij: 20, 30, 40 procent van de bevolking in slavernij, misschien nog wel meer.

Het kalifaat van Sokoto is een minder bekend voorbeeld. In de 19e eeuw, in Soedan, ontstaat er een kalifaat van ongeveer dertig verschillende koninkrijkjes. En daar is ook zeer grootschalige slavernij, waarbij ongeveer de helft van de bevolking in dat kalifaat in slavernij leeft. In de Atlantische wereld kun je denken aan het zuiden van de Verenigde Staten, de Caraïben en Brazilië. Daar liep het percentage van mensen in de slavernij veel hoger op: 80 procent, in Suriname 90. Die enorme schaal en het feit dat het geracialiseerd was, dat mensen op basis van hun afkomst slaafbaar waren, maakte dat tot een unieke situatie in de wereldgeschiedenis. Dus ja, er was misschien wel altijd slavernij, maar die grote schaal en dat permanente karakter zijn toch echt wel anders.

Ook de vergelijking met fabrieksarbeiders of arme sloebers in plaggenhutten is een beetje problematisch. Want ja, mensen leefden vroeger veel korter. Levens waren zwaarder. Er was meer onderdrukking. Maar het is toch moeilijk vol te houden dat een arme fabrieksarbeider op dezelfde manier en in dezelfde mate onderdrukt werd als iemand die het persoonlijk eigendom is van een ander, wiens kinderen per definitie ook het eigendom zijn, en die op geen enkele manier los kunnen komen van die eigenaar. Die zelfs gebrandmerkt zijn met de initialen van de eigenaar. Dat is een niveau van onderdrukking en ontmenselijking die je in veel andere situaties van uitbuiting en dwangarbeid niet tegenkomt. Er is echt iets unieks gaande geweest in de Atlantische wereld, waar Nederland deel van was.

Een andere dooddoener om het er niet over te hebben is: 'Ja, dat was allemaal zo in de Atlantische wereld, dat was uniek en op enorme schaal, maar Nederland was klein en was maar voor vijf procent deel van die geschiedenis. Vijf procent van de mensen die de Atlantische Oceaan werden overgevoerd gingen aan boord van Nederlandse schepen. Dus Nederland was klein en onbeduidend.'

Dat gegoochel met cijfers zouden we voor andere historische misdaden nooit doen. Niemand gaat uitrekenen welk aandeel Nederland had in de Holocaust. Dat doen we niet. Dat slaat nergens op. Het is onfris. Maar er is nog iets anders met die vijf procent. Want op het moment dat Nederland in de 18e eeuw teruggevallen is als economische macht, is Nederland geen grote speler. De Britten en de Fransen zijn veel belangrijker. Maar in de 17e eeuw, in het staartje van de gouden eeuw van de jaren 1650 tot jaren 1670, als Nederland een grote wereldmacht is, dan is Nederland de allergrootste verscheper van mensen over de Atlantische Oceaan.

Niet in een soort van neergaande lijn dat we nog wat overhielden, maar echt als een van de gangmakers van de mensenhandel over de oceaan. Dus ja, op het grote geheel vijf procent, maar je moet het specifieker maken en kijken naar de specifieke periodes. Daar komt nog wat bij. Het idee is: het was ook economisch niet zo belangrijk. Dat is voor de 17e eeuw zeker waar. De grote economische groei van de Republiek is niet gebouwd op slavenarbeid in de 17e eeuw, maar in de 18e eeuw zien we juist dat alle andere industrietakken in een neergaande lijn zitten en Nederland goed meekomt in de op slavernij gebaseerde activiteiten, en eigenlijk met de andere wereldrijken meedraait.

Twintig procent van de buitenlandse handel gaat in producten die op slavernij zijn gebaseerd. Vijf procent van de hele economie draait daarop. Dat zijn aanzienlijke getallen. Dus het is niet: het was maar vijf procent en het deed er niet toe. Maar het is: Nederland was belangrijk voor de slavernij in de 17e eeuw en slavernij was belangrijk voor Nederland in de 18e eeuw.

Dan nog kunnen we zeggen: dat is geschiedenis. Dat is verleden. Dat is voorbij. Dat is afgeschaft. Nu is iedereen vrij geboren en zijn we losgekomen van dat verleden. Het verbaast mij vaak hoe dichtbij de geschiedenis nog is. In mijn boek Eigendomsstrijd schrijf ik over emancipatie van mensen die zelf een weg uit slavernij naar vrijheid hadden gevonden. Ik kreeg brieven van mensen, over hun eigen familie, en hoe dichtbij die geschiedenis nog was. Een vrouw stuurde me een e-mail waarin ze zei: 'Mijn overgrootvader heeft nog in slavernij geleefd.' Haar vader en overgrootvader kregen allebei op hele late leeftijd kinderen en zij was ook al flink op leeftijd, maar voor haar is slavernij dus slechts twee generaties geleden.

De overgrootmoeder van slavernij-onderzoeker Humphrey Lamur, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, leefde in slavernij. Hij herinnert haar nog en weet ook nog dat hij niet zo geïnteresseerd was in de verhalen die zij toen vertelde, maar achteraf zich wel gerealiseerd heeft hoe dat een stempel drukte op het leven van iedereen om hem heen. Zo dichtbij is het. En het is niet alleen dichtbij voor mensen die wij op straat tegenkomen. Dat heeft nog veel langer doorgewerkt. Je kan mensen hier op straat vragen: wat zijn de vormen van erfenis van slavernij die u kan aanwijzen? En dan kunnen ze het hebben over hun schooltijd in Paramaribo en als ze een verkeerd woord zeiden in een taal die de Nederlandse leraar niet aanstond, ze met zand hun mond moesten wassen. Omdat alles wat niet Nederlands was, moest worden uitgebannen.

Dit is echt niet alleen een Nederlands fenomeen, maar deze geschiedenis werkt op veel plekken nog door. Uit onderzoek van de Verenigde Naties blijkt dat er rond de Atlantische Oceaan 200 miljoen mensen zijn die zichzelf identificeren als nazaten van de slavernij. Als het gaat om gemiddelde gezondheid, gemiddeld opleidingsniveau en de welvaart van deze mensen, dan is opvallend dat zij op enorme achterstand staan. En als zij op het gemiddelde niveau van die samenleving willen komen, moeten ze veel harder werken dan anderen.

Dat is een situatie die we kunnen wegwuiven en wegbagatelliseren, door te zeggen: 'Ach, het is lang geleden. Het was niet zo belangrijk.' Maar ik denk dat het tijd wordt dat we een andere toon zoeken en meer onderzoek gaan doen. En vooral ook meer met elkaar in gesprek gaan, over de vraag: wat heeft deze geschiedenis nagelaten? Hoe kunnen we wat er in het verleden verkeerd is gegaan en met de afschaffing van de slavernij niet is opgelost vandaag de dag nog wel oplossen?

Eén van de mooie stappen die nu gezet lijken te gaan worden, is dat er excuses komen. Dat is een hele fundamentele vorm van erkenning. Maar de vraag is: op wat voor andere manieren kunnen we bijdragen aan het rechtzetten van dat onrecht? Met onderzoek naar hoe anti-zwart racisme in de Nederlandse samenleving werkt, als specifieke vorm van uitsluiting. Hoe werkt die wens tot overheersing en ongelijkheid nog in ons eigen denken door? Dat zijn ingewikkelde, grote vragen. Maar we kunnen die vragen alleen een kans geven als we stoppen met het steeds maar weer wegwuiven en opdissen van de altijd zo bekende dooddoeners."