Brainwash Talks

Dalilla Hermans: Hoop ondanks haat

Hoe hard het er in het racismedebat aan toegaat weet schrijfster Dalilla Hermans als geen ander. Ondanks het geschreeuw, ondanks de haat, blijft ze hoop houden.

In 'Brainwash talks' van 'Human' buigen journalisten, schrijvers, wetenschappers, theatermakers en filosofen zich over de grote persoonlijke en maatschappelijke vragen van nu. Deze keer neuroloog Jules Montague over identiteit en geheugen.

Mijn naam is Dalilla Hermans en die naam zegt al heel veel over mij. Dalilla, een beetje exotisch, niet helemaal thuis te brengen. En Hermans, oervlaams. Ik ben geboren in Rwanda in 1986. En ik ben tweeënhalf jaar later geadopteerd door twee hele fijne Vlaamse ouders. Ik heb intussen met mijn knappe man drie kleine kinderen. En voor de oudste daarvan schreef ik enkele jaren geleden een hele lange brief. En die brief werd een boek, Brief aan Cooper en de wereld. Voor zijn twee zusjes schreef ik een kinderboek, Brown girl magic.

Alles wat ik doe naast moederen, of dat nu schrijven is of spreken of op je beeldbuis springen, is geworteld in de strijd tegen racisme. Ik zeg heel bewust 'strijd'. Want dat is wat het is. Een strijd, een gevecht tegen machtige structuren, tegen instellingen. En helaas heel af en toe, zo weinig mogelijk, tegen individuen. Deze strijd is niet nieuw. Ze wordt al eeuwenlang gevochten. Jammer genoeg zijn degenen die in de frontlinie staan in die antiracistische strijd, die het eerst op de barricaden staan, heel vaak mensen die het vaakst slachtoffer worden van racisme. Simpel gezegd, het zijn mensen van kleur die in de frontlinie staan.

Dat is normaal, zou je op het eerste gezicht zeggen. Het zijn ook vaak vrouwen die vooraan staan in de strijd tegen het patriarchaat. Of mensen uit de LGBTQ-gemeenschap die het snelst en het felst een lans breken tegen homofobie. Toch, er is een leuze uit de burgerrechtenbeweging die nog steeds heel waar is. Het is ook voor witte mensen en onze westerse samenleving erg belangrijk dat we die strijd voeren. Ook wij, de westerse maatschappij, ervaren veel negatieve gevolgen van het racisme dat leeft. Waar ik op doel is dit.

Racisme op de arbeidsmarkt ontneemt onze economieën van talent en innovatie. In Vlaanderen kunnen wij spreken van een soort braindrain. Mensen van kleur die hoog opgeleid zijn, die goede ideeën hebben, trekken naar andere landen en andere steden, specifiek omdat ze het racisme in de sollicitatieprocedures beu zijn. Racisme in het onderwijs ontneemt onze kinderen goede en grondige kennis van de geschiedenis. Het is ook niet in het belang van witte kinderen dat zij delen van onze geschiedenis en wereldgeschiedenis niet kennen. Racisme in de politiek, de steeds xenofobere retoriek die door onze politieke leiders gebruikt wordt, maakt onze maatschappij onveiliger. Het aantal haatmisdrijven stijgt. Elke vorm van decorum verdwijnt stilaan. Dat zorgt voor veel angst en onrust bij een hele generatie mensen van kleur die hier nu opgroeit. Angst en onrust zijn de beste voedingsbodem voor polarisatie. Dat is gevaarlijk.

De strijd tegen racisme is een strijd voor een betere wereld. Ook voor witte mensen, ook al zien we dat niet altijd zo. Als ik zelf naar een Amerikaanse highschool was gegaan, dan had er waarschijnlijk in mijn jaarboek gestaan: least likely to become an activist. Ik was daar totaal niet mee bezig. Integendeel, ik was vroeger eerder het type dat snel zei: 'Dat valt allemaal wel mee.' Zoals Martin Luther King het zou zeggen: 'Dancing when I didn't hear music, and laughing when I wasn't tickled.'

"Ik heb niet de luxe de strijd tegen racisme op te geven, want het alternatief is onaanvaardbaar."

Al mijn vrienden, mijn ouders, mijn leerkrachten waren immers wit. En buiten die millimeter vacht die mijn lijf tegen de elementen moet beschermen dacht ik zelf ook dat ik wit was. Als mensen aan mij vroegen toen ik opgroeide, waar kom jij vandaan, dan antwoordde ik de naam van mijn dorp. Dat was niet sarcastisch bedoeld. Ik zei dat niet om het latent racisme in die vraag aan te kaarten. Ik zei dat omdat het voor mij zo klopte. Ik was een grietje, een meisje, uit de Kempen. Ik had helemaal niets met mijn roots. Integendeel zelfs. De dingen die verwezen naar mijn roots – mijn kroeshaar, mijn donkere huid, dingen die ik nu mooi vind en waar ik nu best trots op ben – daar schaamde ik mij vroeger bijna voor.

Dalilla Hermans tijdens haar Brainwashtalk.

Maar toen kreeg ik kinderen. En toen ik kinderen kreeg en me toch begon uit te spreken over racisme, dingen die ik vaststelde, was de weerstand enorm. Ik deed dat eerst privé, later publiek. Toen ik me begon uit te spreken tegen vrienden en familie, leidde dat tot enorm veel onbegrip, discussies en zelfs ruzies. Toen ik dat publiek begon te doen was het hek helemaal van de dam. Er volgden ontzettend veel reacties op sociale media, maar ook open brieven van publieke figuren, politici, leiders in de gemeenschap. En heel veel haatmail en bedreigingen.

Voor iemand als ik, die het grootste deel van haar leven van privileges genoot en zich daarop had gefocust en zo min mogelijk over racisme wilde nadenken, was dat enorm schrikken. Het gebeurde ook allemaal heel abrupt. Ik ben van 0 naar 100 gegaan. Ik besefte nog maar net dat ik eigenlijk niet wit ben. Dus ik had veel onbegrip voor die weerstand. Maar eigenlijk was dat een goede zaak. Dat onbegrip aan mijn kant zorgde ervoor dat ik niet begreep dat mensen mij in een bepaalde positie wilden wringen. Dus ik bleef in dialoog gaan. Ik bleef telkens opnieuw het gesprek aangaan met iedereen die mij weerstand bood.

Door consequent die dialoog te blijven aangaan merkte ik echter wel vooruitgang. Traag. Heel traag. Te traag volgens veel mensen. Maar wel vooruitgang. En telkens als ik iets zag schuiven in de juiste richting was dat een reden om te blijven duwen. Elke keer dat ik roetpieten door de straten zag lopen in december. Elke keer als ik vrienden elkaar hoorde corrigeren als het N-woord viel. Elke keer als ik een persoon van kleur op televisie zag die het over iets anders dan diversiteit mocht hebben. Elke keer als ik chatte met mensen die mij haatmail stuurden en ik hun haat zag omslaan in vertwijfeling en tenslotte schaamte en succeswensen.

Allemaal redenen om te blijven duwen. Te blijven praten en te blijven strijden. Maar het is wel vermoeiend om constant tegen de wind in te stappen. En dus vragen mensen mij vaak: hoe behoud jij de hoop in deze tijden van haat? Sommige mensen vinden het naïef dat ik consequent in gesprek blijf gaan en denk dat er ooit iets zal veranderen. Velen lijken mijn hoop te verwarren met geloof. Maar geloven in iets vraagt eigenlijk geen actie. Je kunt geloven in God zonder te bidden of naar de kerk te gaan. Je kunt geloven dat racisme de wereld uit zal zijn als we een goede mix behouden, als diversiteit in de kleuterklasjes zich vertaald heeft naar diversiteit overal.

Ik kan dat geloven, maar om dat te geloven, hoef je niets te doen. Hopen is iets anders. Hopen vraagt actie. Het impliceert dat je denkt dat iets mogelijk is, maar dat je beseft dat er nog veel moeten gebeuren om dat doel te bereiken. Ik hoop dus op een maatschappij zonder racisme en ik denk dat dat mogelijk is. We zullen er wel voor moeten blijven strijden. We zullen er actie voor blijven moeten ondernemen, maar er is eigenlijk niets naïef aan de gedachte dat het mogelijk is.

Want hoewel er een ontzettende kloof tussen arm en rijk blijft en hoewel er over heel de wereld ontoelaatbare toestanden blijven, heeft de geschiedenis bewezen dat het streven naar gelijkheid werkt. Telkens heeft de strijd die mensen leverden tegen ongelijkheid gezorgd voor een verschuiving richting meer gelijkheid. Traag, te traag volgens velen. Maar het gebeurde wel. Ik heb niet de luxe om defaitisme toe te laten in mijn hoofd of hart. Ik heb niet het privilege om de antiracistische strijd op te geven en racisme te aanvaarden als een onveranderlijk iets.

'Tja, het is nu eenmaal zo en zal altijd zo blijven', is een uitspraak die enkel gedaan kan worden door iemand die nooit rechtstreeks slachtoffer wordt van dit probleem. Ik weiger de hoop op te geven, zeker in deze tijden van haat. Nu moeten we ons net nog standvastiger vastklampen aan hoop. Hoop die actie vraagt. Hoop die je vooruit stuwt terwijl je tegen de wind in stapt.

Want het alternatief is passief ondergaan. Het alternatief is dat mijn kinderen minder kansen krijgen dan de kinderen van de buren. Het alternatief is een onveiligere maatschappij voor iedereen. Het alternatief is ons dom houden over onze eigen geschiedenis. Het alternatief is tweederangs burgerschap blijven toestaan.

Het alternatief is onaanvaardbaar.