Mijn naaste en ik

In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan wil een wetgeleerde van Jezus weten: ‘Wie is mijn naaste?’

Jezus vertelt vervolgens het verhaal van de man die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers die hem mishandelde en daarna halfdood achterlieten.

Een priester kwam langs, en liep met een boog om het slachtoffer heen. Een Leviet deed precies hetzelfde. Een derde man, de Samaritaan, kreeg medelijden met de man. Hij verzorgde zijn wonden, zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een veilig heenkomen.

Aan de wetgeleerde vraagt Jezus: ‘Wie van de drie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’ Als het antwoord komt, zegt Jezus tegen de wetgeleerde: ‘Doet u dan voortaan net zo.’

Zo vanzelfsprekend als het idee is van naastenliefde is, zo ontwijkend is het antwoord op de vraag wat we ermee moeten in het licht van actuele vraagstukken zoals de vluchtelingencrisis en de Europese problematiek.

Naastenliefde is het thema van het kerstnummer van het weekblad ‘De Groene Amsterdammer’ en van Eurocommissaris Frans Timmermans is deze week het boekje ‘Broederschap’ verschenen.

Opvallend is hierbij dat men weinig stilstaat bij de vraag: waaróm moeten we onze naasten liefhebben? Zo’n Samaritaan moet ook een eigen leven leiden naast zijn ‘barmahartige-samaritaanschap’, wat inhoudt dat hij niet constant slachtoffers langs de weg kan blijven helpen. Of is het een kwestie van: je bent of Samaritaan, of niet?

Zo bezien is naastenliefde een tamelijk intensieve bezigheid. Het gevaar is derhalve levensgroot dat de zelfopoffering die onlosmakelijk eraan verbonden is, snel kan overslaan in zelfdestructie.

Dat is in ieder geval het standpunt van weer een andere gelijkenis over naastenliefde, vervat in het verhaal van architect Howard Roark.

In King Vidors filmversie uit 1949 van Ayn Rands beroemde roman ‘The Fountainhead’ staat Roark terecht op aanklachten van sabotage nadat hij een gebouw had opgeblazen. De reden: de plannen voor het gebouw werden zodanig veranderd, dat er van zijn eigen, originele ontwerp niets meer is overgebleven.

In zijn repliek wordt de filosofie van Roark (en ook die van Rand) duidelijk: de menselijke geest is geen ‘object van opoffering’, zodat het collectief daar baat bij kan vinden, maar de basis van het individualisme.

Hoe ver Roark deze denkwijze doorvoert, wordt eerder in het verhaal duidelijk wanneer hij onder geen omstandigheden uitingen van naastenliefde van collega’s wil accepteren, zelfs niet wanneer niemand geïnteresseerd is in zijn ontwerpen en hij uiteindelijk geen cent te makken heeft.

De mens kán nooit zijn volledige potentiaal bereiken wanneer hij van anderen afhankelijk is. Hiermee zet Roark (en Rand) een streep door het idee van naastenliefde. Wie naastenliefde geeft, verloochent zichzelf op dezelfde wijze als degene die naastenliefde accepteert.

De vraag dringt zich op of er dan nog sprake kan zijn van een gemeenschap wanneer het individu zich op deze manier focust op het vormgeven van zijn eigen leven? Kan de Samaritaan zichzelf blijven wanneer hij, voortbordurend op de gelijkenis van Jezus, contant voor zwakkeren moet zorgen?

Aanstaande maandag komen deze vragen aan de orde wanneer Diederik Boomsma, promovendus Rechtsfilosofie in Leiden en bestuurslid van de conservatieve Edmund Burke Stichting, te gast is in het radioprogramma OBA Live.