In Thuis Op Zuid bezoeken Adelheid Roosen en Hugo Borst mensen die thuiswonen met dementie. Zo ook Anja, die haar man Ger zienderogen ziet aftakelen door de slopende ziekte. We zochten haar op om te vragen hoe het met hun is vergaan sinds de opnames. "De onmacht die je voelt, het moeten toegeven aan jezelf, dat is een beetje doodgaan."

Anja en Ger zijn de personages uit de vierde aflevering van Thuis Op Zuid. In de serie zagen we nog net hoe het stel zijn intrede deed in hun gloednieuwe caravan op een camping in Brabant. Anja hoopte dat ze hier samen met Ger nog vele jaren kon genieten. Afgelopen zomer, zo'n vier weken na de opnames, werd Anja's grootste angst werkelijkheid: Ger moest worden opgenomen in een verpleeghuis vlakbij de camping. Nu doet ze haar verhaal. 

"In 2001 heb ik Ger ontmoet. Ik werkte bij een crematorium in Rotterdam en hij kwam als uitvaartverzorger bij ons binnen. Zodoende hebben we elkaar leren kennen en sloeg de vonk over. Ik vond hem een indrukwekkende verschijning en gewoon een ongelofelijk lieve man. In 2003 zijn we getrouwd en hebben we hele gelukkige jaren gekend. Fijne jaren van respect, van het mogen zijn in deze wereld.

Ik heb niet zo'n fijne jeugd gehad en ook niet zo’n prettig huwelijk voor Ger. Dankzij Ger kreeg ik een stukje eigenwaarde en vertrouwen en werd ik Anja. Ik leerde mezelf kennen, Ger heeft mij tot bloei gebracht. 'Een bloem die aan het opengaan is', zei hij altijd. Dat vond ik zo mooi en zo ervaarde ik dat ook. Ik mag er wél zijn. Dan ben je vijftig en dan ontdek je dat." 

Tekst gaat verder onder afbeelding

Anja & Ger in Thuis Op Zuid

Kentering in blije huwelijk

"Toen Ger klaar was met werken, brak een mooie tijd aan. 's Zomers vertoefden we op de camping in Brabant. We hoefden niet meer thuis te zijn, want er was niks thuis. Zo’n vier à vijf jaar geleden begon ik dingen aan hem te merken: gedragsveranderingen, vergeetachtigheid, niet meer op woorden kunnen komen, dat soort dingen. Eerst dacht ik dat het een kentering was in ons blije huwelijk. Hij werd vaker boos en dat was hij helemaal niet, die man was nooit boos. Marina en Egbert, onze overburen op de camping zeiden: 'Anja, het is iets anders. Er is meer aan de hand met Ger.' 

Na veel onderzoeken kregen we de diagnose dementie. Ja, toen was ik even lamgeslagen. Ik werd ook behoorlijk boos op de ziekte, want mijn mannetje is me ontnomen. Hij was niet meer de man die ik mateloos vertrouwde. En dat doet vooral pijn. Voordat we die diagnose hadden, was ik al zeker vijftien maanden bezig. Om hem in goede banen te leiden, om hem zijn kleding aan te geven, om hem te zeggen: 'Ger, je bent je daar en daar vergeten te scheren'.  Daar begon al de mantelzorg.

Mensen hebben vaak geen idee wat mantelzorg inhoudt. Als ik bijvoorbeeld stond te douchen was een gedeelte van mij altijd bij hem: Wat doet hij nu? Het werd een tweede natuur, geen moment kon je aan jezelf denken. Zelfs als hij bij de dagbesteding was, kon ik geen tijd aan mezelf besteden. Je kan niet ineens die knop omzetten." 

Miskenning van de ziekte

"De afgelopen maanden waren zwaar. Door corona viel alle zorg, en daarmee ook de dagbesteding, compleet weg. Ik kon hem niet alleen thuislaten, dus ik moest met hem boodschappen doen. Ger loopt niet makkelijk meer, dus ik moest hem ondersteunen. Waren we eenmaal bij de winkel, was het van: 'Ja, één persoon tegelijk naar binnen'. En dan zei ik: 'Sorry, mijn man is dement. Ik kan hem niet alleen thuislaten. Ik moet met z’n tweeën naar binnen'. 

Het is een constante strijd, zo voelt dit soort onbegrip. Miskenning van de ziekte, vind ik het. Iemand met dementie voelt al alsof hij constant in gebreke is. Die voelt zich weggegooid, verpletterd. Maar je hebt het wel over en tegen mijn man op zo’n moment. Hij blijft een mens, en blijf hem zo zien, alsjeblieft." 

Een beetje doodgaan

"Je blijft doorgaan en je blijft het doen. Je kunt ook niet anders. ‘Schat, ik moet naar het toilet', zei Ger op een gegeven moment. ‘Ja dan moet je gaan', zei ik. Hup, haalt-ie zo zijn piemel uit zijn broek en begon gewoon te plassen waar ik bij stond. Alles nat. En niet één keer, dat is weken doorgegaan. En ik maar op mijn knietjes die hele caravan aan het soppen. Op een gegeven moment kon ik niet meer overeind komen, want het schoot me in mijn rug. Ik riep: 'Alsjeblieft, kom me helpen!'

Marina en Egbert stonden gelijk in de caravan. 'Anja, wat ben je nou aan het doen', vroeg Marina. Egbert heeft me opgetild en die man van mij was helemaal in tranen, want hij zag de ellende die hij veroorzaakte en zijn vrouw die van de grond moest worden geraapt. Het was een drama, werkelijk een drama. Egbert heeft mij beetgepakt en ik heb staan huilen. Marina pakte Ger en we hebben met z’n vieren in die caravan staan janken.

Ik kon niet meer. Ik heb verschrikkelijk gehuild, maar moest toegeven dat ik het niet meer kon. Na het telefoontje met de casemanager kon Ger binnen een week worden opgenomen in het verpleeghuis, vijf kilometer van de camping. Daar zit hij sinds juli. Het was afgrijselijk. Het is intens verdrietig dat je aan jezelf toe moet geven dat je het niet meer kan. Dat je je man aan zijn lot moet overlaten. De onmacht die je voelt, het moeten toegeven aan jezelf, dat is een beetje doodgaan. Ondanks dat anderen zeiden dat ik tot het uiterste was gegaan, dacht ik: Ja, maar hij zit wel daar. Dat gevoel ben ik nog niet kwijt. Ik heb beloofd dat ik voor hem zal zorgen tot de dood ons scheidt. Niet dus." 

Tekst gaat verder onder afbeelding

Anja kijkt naar een foto van Ger en haar samen

Kaarsje gaat langzaam uit

"Ger heeft toen hij 65 was, nog voordat wij de diagnose kregen, een gesprek gehad met de huisarts. Hij wilde een euthanasieverklaring, want hij wilde zelf de regie houden. Maar zodra de diagnose gesteld is, dan geldt zo’n verklaring niet meer. Als mijn man met een gezond verstand heeft beslist, dan vind ik dat je daar gehoor aan moet geven. Op dit moment wil hij al niet meer zo leven. Hij vindt het mensonwaardig; poepen in zijn broek en een luier om. Dit is niet het leven waar hij voor gekozen heeft.

Het is bizar. Het geeft mij geen verlichting dat hij daar nu zit. We hebben nu een verklaring, waarin staat dat als ik vind dat Ger zijn grens heeft bereikt, dat we passieve euthanasie doen. Dan spuiten we hem een paar dagen vol, dan eet en drinkt hij niet meer en dan mag het kaarsje langzaam uitgaan."

Emmers met liefde

"Ger heeft er totaal geen vrede mee dat hij daar nu zit. De eerste weken ging ik daar met een knoop in mijn maag heen. Ik ging ook niet alleen, elke keer was iemand bij me en daar was ik superblij mee. Zeker op de momenten dat hij zijn boosheid liet zien. 'Jij wil mij niet meer', zei hij dan. Dat voelde als zweepslagen voor mij. Want hij heeft gelijk, ik heb hem daar gebracht. Niet omdat ik niet hem meer wil, maar omdat ik niet meer kon. Ik zei tegen hem: 'Jongen, ik kan niet meer voor je zorgen. Met al mijn liefde kan ik het niet meer voor elkaar krijgen. Maar deze mensen hebben ervoor geleerd, zij zorgen voor jou en ik kom je emmers met liefde brengen. Dat is het enige wat ik nog kan.'

Het is een verschrikkelijke ziekte. Ik heb het de afgelopen tijd vaak vergeleken met kanker, waarbij mensen vaak de tijd hebben om naar een einde toe te groeien en om waardig afscheid van elkaar te nemen. Ik neem elke dag afscheid van mijn man. Want elke dag is er weer een stukje weg, waar ik zoveel van hield."

Tekst gaat verder onder afbeelding

Adelheid en Hugo bij Anja en Ger in de caravan

Onze vier woordjes

"Mijn oudste dochter heeft een gezinnetje en door corona werd hun vakantie geannuleerd. Toen zei mijn schoonzoon ineens: 'Moeders, zou je het leuk vinden als wij een weekje bij je komen in de caravan?' Ik heb daar zo van genoten. Ze hebben mij zelfs een oma-dag gegeven. Het was een dag met een gouden randje.

Toch knaagde er steeds iets. Het is net als met kinderen, die zijn ook nooit uit je gedachten. Ik ben constant met ze bezig, met mijn kinderen, mijn kleinkinderen en met Ger. Zelf doe ik er niet zo toe. Als het met iedereen goed gaat, dan gaat het met mij ook goed. Ik hoop op vrede. Rust in mijn ziel. Want die heb ik niet. Want wat allemaal nog komt, weet je niet. Wat als hij me straks niet meer kent? Aan de ene kant moet ik er niet aan denken, aan de andere kant zal het ook een soort van rust geven, omdat hij me niet meer kent. Dan zal er nog wel mededogen zijn, maar hoef ik niet meer te lijden om hem, omdat hij niet meer lijdt. Bij elk bezoekje maken we een afscheid door, en dan vraag ik aan hem: ‘Onze vier woordjes, hoe klonken ze ook alweer?’ En dan hoor ik hem ergens in die gang roepen: ‘Ik houd van jou'."