Pas toen spoedeisende hulpverpleegkundige Jenita op reis ging, besefte ze hoeveel impact het werk op haar had. "In mijn dromen herbeleefde ik spoedgevallen die ik daarvoor niet kon navertellen. Mijn eeltlaag was dikker dan ik dacht."

Steeds meer medewerkers verlaten de zorg. Afgelopen jaar vertrokken ruim 155.000 mensen uit de sector, de grootste uitstroom sinds 2010. De werkdruk in de zorg ligt hoog, en dat geldt zeker voor de spoedeisende hulp, blijkt uit onderzoek.

Het grillige rooster, de uiteenlopende spoedgevallen en het schakelen tussen heftige emoties maken een afdeling als deze extra vatbaar. De SEH is een knooppunt in de zorgketen en de samenleving. Acute situaties komen binnen, in een mum van tijd worden er beslissingen genomen, en daarna stromen ze door in het netwerk van zorg. Ook vanuit het ambulancepersoneel werd er vorig jaar aan de bel getrokken: er zou veel te weinig oog zijn voor wat zij meemaken.

Nieuw is de werkdruk in de zorg niet, de noodklok is al regelmatig geluid. Voor het UMC Utrecht een reden om geestelijk verzorger Vicky Hölsgens aan te stellen. Waar deze functie meestal is bedoeld voor patiënten, beweegt zij zich tussen de zorgmedewerkers. "Ik had al vrij snel door dat het personeel hier gemaakt is van het niet-lullen-maar-poetsen-DNA." Maar hoe gaan dat DNA en het praten over emotionele druk samen in alle hectiek van de acute zorg?

In De Publieke Tribune op NPO Radio 1 sprak Coen Verbraak met verpleegkundigen, onderzoekers en een geestelijk verzorger binnen de acute zorg. (Oud-)spoedeisende hulpverpleegkundigen Jenita Riphagen en Wietske Blom-Ham én ambulanceverpleegkundige Ruben Verlangen vertelden over de langzaam veranderende cultuur.

Een leger aan voorbeelden

Dat Wietske inmiddels niet meer werkt, helpt haar om met afstand naar emoties te kijken: "Als iemand overleed, probeerde ik vaak even een moment van afscheid te nemen. Het contact is zo vluchtig, maar het raakt je. Ik ben best open, maar dit deelde ik dan niet met collega's. Het voelde te privé en misschien schuurde het tegen niet durven of schamen aan."

Ruben, die als jonge jongen bij de ambulance kwam, ziet dat er - gelukkig - steeds meer ruimte is voor emotie. “Ik maakte een melding mee waarbij een jong jongetje was overreden door de tractor van zijn vader. Ik bevroor bij die casus, alles werd zwart." Maar even bijkomen zat er niet in; hij moest meteen door naar een andere melding. "In die tijd zag je dat militairen terugkwamen met PTSS, waarna er steeds meer aandacht voor kwam. Opeens zeiden collega’s: 'Wij hebben nu geen rit, laat die jongens even een bakkie koffie doen.' Sindsdien zie je ook dat er bedrijfsopvangteams zijn gekomen."

Dat Defensie een voorbeeld is, zie je ook op de Eerste Hulp. Jenita werd op haar vakantie geconfronteerd met de grote impact van alle ingrijpende spoedgevallen. "Ik had tijd om het te verwerken, maar dacht wel: ik ben vast niet de enige. Toen jaren later een nieuwe manager vanuit Defensie naar onze afdeling kwam, was ik verbaasd hoe weinig er geregeld was voor onze mentale gezondheid. We hebben toen het Collegiaal Netwerk in het leven geroepen."

En hoewel die niet-lullen-maar-poetsenmentaliteit er voor sommigen op de spoedeisende hulp misschien altijd wel een beetje zal blijven, is er de laatste jaren wel degelijk meer ruimte gekomen voor emotionele opvang. En dat is ook nodig, weet Jenita: "Eigenlijk moeten we altijd op zoek naar de balans tussen afstompen en afbranden."

'Eigenlijk moeten we altijd op zoek naar de balans tussen afstompen en afbranden'

SEH-verpleegkundige Jenita Riphagen

Verdiep je verder