Mensen met een arbeidsbeperking komen lastig aan een baan, concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau. De afgelopen jaren is de sociale werkvoorziening onder druk komen te staan en worden minder extra banen voor deze doelgroep gecreëerd dan de bedoeling is. Hoe kan het dat niet iedereen bij de arbeidsmarkt betrokken wordt?

'Iedereen participeert naar vermogen in de samenleving, en voorziet zoveel mogelijk het eigen onderhoud'. Dat was de kern van de zogeheten Participatiewet, die op 1 januari 2015 van kracht werd onder Rutte-II (VVD-PvdA), met aan het roer van het verantwoordelijk ministerie Lodewijk Asscher (PvdA) en Jetta Klijnsma (PvdA).

De wet verving de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), uit de jaren zestig. De WSW krreeg in de jaren negentig nog een update, maar in de jaren tien van deze eeuw werd de wet vooral te duur en niet meer van deze tijd geacht. "Toen de crisis uitbrak moest er worden bezuinigd, en toen was deze groep de pineut," zegt Arjen Vliegenthart (SP) in 2018 Zembla. Vliegenthart was ten tijde van het invoeren van de Participatiewet wethouder in Amsterdam. 

De Participatiewet moest ervoor zorgen dat iedereen een inkomen had en als het even kan in het bedrijfsleven. Zo min mogelijk mensen mochten nog gebruik maken van een bijstandsuitkering. De bijstand, het allerlaatste sociale vangnet, was alleen bedoeld voor mensen die echt niet konden meekomen in de samenleving. 

Daarmee werd een einde gemaakt aan sociale werkplaatsen. Wie daar nog werkte, mocht blijven, maar er mochten geen banen meer bij. Voortaan moest iedereen aan het werk in het bedrijfsleven.

De banenafspraak

In aanloop naar deze Participatiewet werd in 2013 al de Banenafspraak gemaakt. In het sociaal akkoord van 11 april 2013 maakten het kabinet en sociale partners een afspraak over het aan het werk helpen van mensen met een arbeidsbeperking. Concrete doelstelling: 125.000 éxtra banen. 

Werkgevers uit de marktsector en zorg zouden 100.000 van die banen gecreëerd hebben aan het eind van 2025. De overheid garandeert vervolgens 25.000 banen eind 2025. Het doel van deze afspraak was, net als de Participatiewet, om zoveel mogelijk mensen volwaardig mee te laten doen in de samenleving. 

Volgens hoogleraar Arbeidsmarkt Ton Wilthagen, en volgens Vliegenthart is dit een nobel streven en een fraaie doelstelling. "Maar wel illusiepolitiek," zegt Wilthagen in Zembla.

Doelstelling wordt niet gehaald

Elk jaar doet onafhankelijk onderzoeksbureau Panteia onderzoek naar de hoeveelheid banen die is gecreëerd, in opdracht van het ministerie. 2012 wordt als nulpunt gebruikt. De meest recente analyse stamt uit het najaar van 2020. Het betreft dus een tussenrapportage, waarin de onderzoekers met een aantal modellen berekenen of de doelstelling van 125.000 banen wordt gerealiseerd, eind 2025.

Volgens het ministerie staat de teller inmiddels op 58.000 banen sinds 2012. Over vijf jaar moet dat aantal opgelopen zijn tot 92.610, berekende het onderzoeksbureau. Ruim onder de norm van 125.000. Bovendien telt het ministerie hier ook banen in mee die ze niet mee zouden moeten tellen, zeggen critici.

Zo worden daarin ook banen meegerekend voor bijvoorbeeld leerlingen uit het voortgezet speciaal onderwijs (vso). "Deze jongeren gingen vroeger ook gewoon regulier aan het werk," zegt onderzoeker en financieel expert Robert Capel in Trouw

Het ministerie telt bovendien 10.000 medewerkers mee die vanuit sociale werkbedrijven via detacheringsconstructies werken. Dat is geen extra werkgelegenheid, want voor de banenafspraak werkten zij ook al bij gewone werkgevers. 

Cedris, de landelijke vereniging voor een inclusieve arbeidsmarkt, liet zelf onderzoek doen naar de hoeveelheid extra banen die is gecreëerd voor mensen met een arbeidsbeperking. De brancheorganisatie van sociale werkbedrijven huurde Capeladvies in en dat onderzoeksbureau kwam tot de conclusie dat de teller op dit moment maar op 12.000 staat. "Ontluisterend," laat Kitty Jong optekenen, vicevoorzitter van vakbond FNV.

In deze wasstraat in Deventer lukt het wél om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen en te houden, met dank aan de inspirerende betrokkenheid van werkgever Martin.

Overigens is op deze rekenmethode natuurlijk ook weer kritiek. Zo zouden de banen niet extra hoeven zijn. Het sociaal akkoord spreekt van extra banen. Dat kan ook geïnterpreteerd worden als het extra plaatsen van mensen met een arbeidsbeperking. Ook als zo iemand al aan het werk was, en naar een volgende baan begeleid moet worden.

Hard oordeel van SCP

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) concludeert eind 2020 dat vijf jaar na invoering van de Participatiewet, deelname van mensen met een beperking aan de samenling niet is toegenomen. "De verwachtingen van het nieuwe beleid waren te hoog gespannen, bijvoorbeeld over de zelfredzaamheid van mensen en een zorgzamere samenleving," schrijft het SCP.

Begin 2020 concludeerde het SCP al dat iemand met een arbeidsbeperking die werkt, minder beroep doet op de zorg. Werken zorgt dus voor minder zorgkosten. Maar tegelijkertijd daalde de kans op een baan voor deze groep flink, zegt het SCP. En dat was dus nog voordat de coronacrisis in alle hevigheid onze levens overhoop gooide. "We beseffen dat de resultaten en aanbevelingen door de snelle en onvoorspelbare ontwikkelingen wellicht in een ander daglicht komen te staan," zegt het SCP daarover.

Te grote focus op efficiëntie

Eén van de redenen waarom het niet lukt om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te krijgen, is de manier waarop onze arbeidsmarkt is ingericht. Volgens Ton Wilthagen, hoogleraar Arbiedsmarkt, wordt te veel gekeken naar efficiëntie. Dat betekent dat mensen die te langzaam werken niet bij een reguliere werkgever hun plek kunnen vinden, omdat ze niet efficiënt genoeg zijn en de werkgever dus geld kosten.

De Participatiewet voorziet in een loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking. Neemt een werkgever zo iemand in dienst, ontvangt de werkgever daar subsidie voor van de gemeente. Zo probeert de wet het aantrekkelijk te maken om mensen met een arbeidsbeperking aan te nemen.

Maar in 2018 is die subsidie teruggeschroefd van maximaal veertig uur, naar 25,5 uur, omdat gemeenten geen oneindige budgetten hebben. Met andere woorden: voor iemand die voorheen veertig uur per week werkte, ontving de werkgever veertig uur loonkostensubsidie. Sinds 2018 ontvangt de werkgever nog maar 25,5 uur loonkostensubsidie. Het verschil dat ontstaat. moet de werkgever zelf aanvullen, wat het aannemen of aanhouden van iemand met een arbeidsbeperking minder aantrekkelijk maakt. 

Het is voor een werkgever op zo'n moment vaak aantrekkelijker om iemand aan te nemen die sneller en efficiënter werkt, waardoor iemand met een arbeidsbeperking buiten spel komt te staan. "Dus je wil bereiken dat mensen volwaardig meedoen, maar daar bezuinig je wel op," zegt Arjen Vliegenthart in Zembla.

Minder hulp dan voorheen

Eén van de redenen waarom het niet lukt mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te krijgen en houden, is volgens het SCP de manier waarop de begeleiding naar werk wordt gefinancierd. Momenteel dragen gemeenten de volledige kosten van het begeleiden van deze mensen naar werk. De zorgkosten voor iemand die werkt zijn lager ten opzichte van de zorgkosten van iemand die niet werkt. Gemeenten profiteren maar voor deel van de daling in de uitgaven aan die zorg, en ervaren dus niet die financiële prikkel. 

Het zou voor gemeenten soms zelfs financieel gunstiger zijn om mensen met een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt een bijstandsuitkering te geven, dan om voor hen zware, dure re-integratie-instrumenten in te zetten. Daardoor worden mensen met de grootste ondersteuningsbehoeften, met name mensen die vroeger in aanmerking kwamen voor de sociale werkvoorziening, minder geholpen dan voorheen, schrijft het SCP.

Een oplossing is volgens het bureau om de financiering van gemeenten af te laten hangen van het aantal mensen dat ze aan het werk krijgen, in plaats van het geven van vaste budgetten voor participatie. Dit zou gemeenten stimuleren beter hun best te doen.

Oorspronkelijk had het kabinet nog een stok om mee te slaan naar werkgevers. Elke werkgever met meer dan 25 mensen in dienst werd verplicht tot een quotum van vijf procent medewerkers met een arbeidsbeperking. Wie niet voldeed, zou een boete krijgen. Die verplichting is geschrapt. 

Hoe dan wel?

Hoogleraar Ton Wilthagen pleit voor een transitie van de arbeidsmarkt. "Brede waarden van werk zijn bijvoorbeeld de positieve effecten voor de maatschappij, in plaats van alleen winst en efficiency." 

Vliegenthart: "Je moet je afvragen wat het ons waard is dat deze mensen meedoen. Dat is niet alleen een economische vraag, maar ook een beschavingsvraag."

Ondertussen rest nog krap vijf jaar om tot het totaal van 125.000 banen te komen, die volgens het kabinet nodig zijn om zo veel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking volwaardig te laten meedraaien in de samenleving. Op naar eind 2025.

Verder verdiepen? Kijk hieronder een aflevering van Zembla (BNNVARA) uit 2018 over de sluiting van sociale werkplaatsen.

Zien hoe het wél mogelijk is om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te betrekken en nuttig werk te laten doen? Kijk alle afleveringen van De Wasstraat terug op NPO Start.