Mijn hartsvriendin Manon belt. Hoe mijn vakantie was. "Weergaloos," zeg ik. Het is halverwege oktober 2019 en Manon vraagt waar ik zoal mee bezig ben.

"Met de opstart van een tweede reeks De publieke tribune," zeg ik. "Je weet wel, dat ding met Coen Verbraak, over de pijnpunten in onze samenleving." Stilte op de lijn, waarna Manon resoluut zegt: "Weet je waar jullie het eens over moeten hebben? Zwerfjongeren. Dat is pas wat." Ze vermijdt handig het woord 'probleem.' Intussen kabbelt het gesprek verder, over Corsica en de hoogte van de bergen tijdens mijn vakantie.

Manon is social designer en kijkt anders naar de dingen. Ze heeft me aan het twijfelen gebracht. 'Zwerfjongeren,' is dat geen modewoord? Ik houd het op een randfenomeen, want laten we wel wezen: de zorg staat in brand, mensen verdrinken in hun schulden en het klimaat schreeuwt. Moeten we het dan daadwerkelijk over dolende tieners gaan hebben? Maar zodra ik er toch even in duik kom ik erachter dat er in Nederland meer dan twaalfduizend jongeren onder de dertig zijn die om een huis of thuis verlegen zitten. Los van dat dat veel is, blijkt dat hun aantallen alleen maar stijgen. Jaar na jaar.

Enkele dagen later zit ik op een wat troosteloze kamer. Niet onder een brug, er is wel degelijk opvang, inclusief bedden. Maar na maanden overnachten op banken van vrienden belandt de doorsnee jongere toch gewoon op straat. Klaar voor de nachtopvang, regelrecht in de keiharde realiteit. Gereed voor de jungle die dakloosheid heet. Zelf zie ik inmiddels geen verslaafde of hysterische tieners. Maar gebroken jongeren, verstoten door familie en vertrouwelingen. Jongeren met twee rugzakken: één voor de spullen, de andere voor problemen uit heden en verleden. Het zijn verhalen die zich continu herhalen. Jongere na jongere.

Manon belt terug. Ze is net het Waardecafé gestart, een plek in hartje Den Haag waar mensen met deze zwerfjongeren in gesprek gaan. Binnenkort komt staatssecretaris Blokhuis op werkbezoek op uitnodiging van Stichting Zwerfjongeren Nederland. "Dat is toch wat je wilde," vraagt ze. "Een echt gesprek tussen het beleid en de burger." Ik besluit dat ze gelijk heeft en ga langs. Bij binnenkomst merk ik meteen dat het een prachtinitiatief is, maar dat ik zelden een meer ongeschikte opnameplek heb gezien. Kaal, redelijk vaal. En tóch is dat wat we willen: het gesprek aangaan op plekken waar mensen nog naar elkaar luisteren. De publieke tribune is dan ook geen pure tv, maar meer een maatschappelijk project. Een poging om macht, onmacht en welwillendheid met elkaar te verbinden, het liefst nog in beeld ook. Als ik mijn producer bel hapt hij meteen toe. Vanaf dat moment hebben we een waarachtige locatie en een welwillende staatssecretaris. De rest volgt wel.

De zorg staat in brand, mensen verdrinken in hun schulden en het klimaat schreeuwt. Moeten we het dan daadwerkelijk over dolende tieners gaan hebben?

Michiel Galle

En óf ze volgen: een stoet aan ambtenaren, straatadvocaten, zwerfjongeren en hun hulpverleners. Stuk voor stuk gemotiveerd, strijdend tegen dit onnodige kwaad en struikelend over de structuren die ze vaak samen hebben gecreëerd. Staatssecretaris Blokhuis belooft ze alvast beterschap. Als we zijn masterplan mogen geloven heeft elke zwerfjongere tegen 2021 een thuis, compleet met zicht op een beter bestaan.

Als ik dit schrijf is het halverwege januari 2020. Straks komt ons zwerfjongerengesprek op het scherm. Ik hoop dat Blokhuis en zijn beleid gelijk krijgen. Dat die meer dan twaalfduizend jongeren daadwerkelijk allemaal een thuis krijgen en ooit aan hun vrienden kunnen vertellen dat hun welverdiende vakantie wel degelijk weergaloos was.