Het afval dat de vriend van Nikki Dekker dagelijks tijdens zijn wandelingen opruimt, lijkt er de volgende dag alweer te liggen. Daar kan je cynisch van worden, of is er wel kans op verbetering?

Het is avond, we hebben net gegeten, en m'n vriend haalt een lege vuilniszak tevoorschijn. "Ik ga er nog even op uit," roept hij. In de afgelopen maanden is mijn vriend een plandelaar geworden: iemand die plastic opruimt tijdens het wandelen.

Of eigenlijk is hij dat altijd al geweest: onderweg raapt hij afval op dat hij tegenkomt, gooit het in de dichtstbijzijnde prullenbak of neemt het in zijn rugzak mee naar huis. Het verschil: nu heeft hij zo'n knijpstok (die bij de meeste gemeentes trouwens gratis verkrijgbaar is, als je wil helpen opruimen), en gaat er speciaal op uit om lege bierblikjes, peuken, plastic flessen en ander afval te verzamelen.

En ik ben daar dus soms een beetje cynisch over. Ik wil het niet zijn, maar ik merk dat ik elke keer weer denk: ja, en dan? Morgen ligt het er weer. Het is bijna een nieuw gezegde: niet 'dweilen met de kraan open', maar 'opruimen wat de rest weer op straat gooit'. Er moet structureel iets veranderen, zucht ik. 'Structureel' is een woord dat ik vaak gebruik, en soms klinkt het als een al te gemakkelijk excuus.

Forellen aan de crystal meth

Maar kijk nou naar de prullenbakken in het park: dat zijn van die ondingen met zo'n balk in het midden, waardoor er alleen klein afval in geworpen kan worden. 's Avonds zitten er groepen mensen in het park te barbecueën, of eten uit zo'n schuimrubberen bak van de snackbar om te hoek, en die passen dus niet in de kleine vakjes van de prullenbak. Nou zijn het geen vervelende mensen, de parketers: ze stapelen hun lege bakjes netjes als een torentje naast de prullenbak. Maar ja, een beetje wind, of een hongerige zeemeeuw, en alles wappert de straat op, het kruispunt over, het water in.

Want uiteindelijk komt alles in het water terecht: niet alleen het plastic afval dat zich ophoopt in de oceaan en in rivierbeddingen, maar ook venijniger afval, dat onzichtbaar is: de resten van medicijnen. Alle middelen die wij gebruiken, van antidepressiva tot cocaïne, komen met onze ontlasting in het riool terecht, en omdat het nog veel te moeilijk is die microscopische restjes uit het water te filteren, belandt het in de rivieren, plassen en meren.

Inmiddels zijn er forellen die onder invloed van crystal meth bij de riolen rondhangen, wachtend op hun volgende dosis, kreeften en palingen die door anticonceptiepillen van geslachtskenmerken veranderen en zich niet meer kunnen voortplanten, vissen met kapotte weefsels onder invloed van pijnstillers – de voorbeelden zijn legio. Elk nieuw medicijn moet weliswaar een milieukeuring ondergaan, maar die is niet doorslaggevend: een geneesmiddel met een slechte uitwerking op de omgeving, kan, als het de ziekte maar behandelt, wel op de markt komen.

Probleem zichtbaar maken

Volgens mijn vriend draait de aanpak van zwerfafval om zichtbaarheid. Al lopend door de buurt krijgt hij een duim omhoog van passanten, of wordt hij aangesproken door anderen die ook graag zo'n stok willen – zelfs door hangjongeren. En op een schone straat laten mensen weer minder snel iets liggen dan op een plek die toch al vol troep ligt. Maar belangrijker nog: als je een probleem zichtbaar maakt, kun je de verantwoordelijke erop wijzen.

Dirk Groot en Merijn Tinga verzamelden Mars-verpakkingen door heel Nederland, en toonden zo aan dat het bedrijf verantwoordelijk was voor 11.000 stuks zwerfafval in zes maanden tijd.

Maar wat gebeurt er met de onzichtbare sporen, de resten van ons leven, die zich opstapelen in het water en in de grond? We laten zo'n puinzooi achter, en we blijven het doen, terwijl we al decennia weten dat er een probleem is. Geconfronteerd met de vele Mars-wikkeltjes, wijst het bedrijf liefst naar de consumenten: 'Wij maken de verpakking, het zijn de klanten die vervuilen.'

Waar ligt de verantwoordelijkheid?

Een beter milieu begint bij jezelf. Elke millennial is opgegroeid met die leus, en natuurlijk is het waar dat je je verantwoordelijkheid moet nemen. Binnen de microkosmos van ons leven proberen we alles goed te doen, schreef Elize de Mul al: biologisch eten, afval scheiden, tweedehands kopen, kapotte apparatuur laten maken in repair cafés – maar is dat echt een manier om de wereld te verbeteren, of schijncontrole?

Je zou toch haast willen dat er een groepsinstantie was, een vereniging of gemeenschap, een soort autoriteit die onze keuzemogelijkheden enigszins zou begrenzen, zodat het voor ons allemaal makkelijker zou zijn om de juiste keuzes te maken, een instantie die vervuiling echt aan zou kunnen pakken. "Je bedoelt," zegt mijn vriend, "zoiets als een overheid."

De truc

Nu blijkt onze huidige regering helaas voornamelijk in staat problemen te creëren (zie ook: huisvesting, vluchtelingenopvang, klimaatvernietiging, de gezondheidszorg, toeslagenschandaal, etc, etc), maar af en toe zijn ze in staat gebleken om het tij te keren (zie: verbod op gratis plastic zakjes). De overheid kan structurele verandering teweeg brengen, maar dat doet ze pas als wij het (jarenlang onophoudelijk) eisen.

Uiteindelijk gaat het niet om (schijn)controle, maar om betrokkenheid. Het is de truc je individuele zorgen en acties steeds te blijven verbinden aan de grotere wereld om je heen. Afval oprapen én de gemeente aanschrijven voor passende vuilcontainers in het park. Overgebleven medicatie netjes terugbrengen naar de apotheek én op een groene partij stemmen bij de Waterschapsverkiezingen. In principe hebben we een fantastisch instrument om deze problemen op te lossen. Zolang we niet cynisch worden (ik kijk mezelf hier aan), is er een kans op verbetering.