De Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984)
staat bekend als fel tegenstander van humanisme, dat volgens hem een ideologie was die
bestaande machtsverhoudingen legitimeert. Het was daarmee bepaald een theorie van
onderdrukking. Foucault zocht zijn heil in zeer zorgvuldige analyse van taalstructuren. In
taalgebruik is te zien hoe mensen worden onderdrukt, doordat een bepaald patroon van
spreken en zwijgen als vanzelfsprekend fungeert en wordt nagevolgd. Wie dit patroon kan
blootleggen, ontdekt misschien enige ontsnappingsmogelijkheden voor het individu. Die zijn
volgens Foucault niet te vinden in het zijns inziens zelfgenoegzame humanisme, dat een
onproblematisch optimistisch vooruitgangsgeloof zou hanteren, op grond van de stormachtige
ontwikkelingen van de natuurwetenschappen en de universele pretentie van westerse waarden,
die als onwelkom exportproduct aan andere culturen zijn opgedrongen. Toch is het effect
van de ontsnappingsmogelijkheden die Foucault nastreefde, een typisch humanistisch
streven, namelijk emancipatie of zelfontplooiing.
Foucault vond ook dat humanisten het individu veel te
belangrijk achten en niet beseffen dat de structuren waarbinnen de mensen leven
allesbepalend zijn. Ze hebben maar een heel beperkte of geen speelruimte. Door daarvan uit
te gaan zou men de mens beter recht doen, aldus Foucault, die met zijn strenge kritiek de
voorganger van veel latere postmodernisten is geworden.
Foucaults landgenoot Jean Francois Lyotard (1930-1998)
werkte het postmodernisme verder uit. Hij onderschreef de waarde van individuele vrijheid,
maar kritiseerde de maatschappelijke realisering ervan in de moderne cultuur, die
gedomineerd wordt door de grote vooruitgangsverhalen van het modernisme, dat wil zeggen
humanisme. Een reëel besef van pluriformiteit zou, aldus Lyotard, individualiteit en
rechtvaardigheid mogelijk kunnen maken en zou tot andere maatschappelijke vertalingen
moeten leiden. Zo zouden de werkelijke waarden en waarheden tot hun recht kunnen komen.
Postmodernisme en humanisme hebben lange tijd op gespannen
voet met elkaar gestaan. De Nederlandse socioloog Rob Tielman (1946) loste die
tegenstelling op door onderscheid te maken tussen postmoderne `antimodernisten' en
postmoderne `neomodernisten'. De eerste groep verwerpt alle vooruitgangsdenken en verzet
zich tegen de humanistische gedachte dat de mens in staat is de wereld steeds ordelijker
te maken en daardoor min of meer beheersbaar. De tweede groep gelooft wel dat mensen
sturing aan hun bestaan kunnen geven. Overigens niet zonder meer, want neomodernisten
hebben het geloof in een vanzelf verlopende vooruitgang vervangen door de aanname dat
mensen in beginsel in staat zijn een menswaardiger wereld te ontwikkelen. Deze overgang
van vooruitgangsgeloof naar vooruitgangsdenken en -handelen, zou men kunnen omschrijven
als emancipatie, dat wil zeggen dat mens en maatschappij in beginsel beschikken over het
vermogen om vorm te geven aan zelfbeschikking. Maar meer dan ooit leeft de postmoderne
mens in een allesomvattend besef van onzekerheid. `Afwachten', `we zullen zien', `je niet
vastpinnen' zijn de nieuwe `orde'-woorden. De verantwoordelijkheid van mensen voor hun
doen en laten is daardoor groter dan ooit.