In de negentiende eeuw nam het
humanisme duidelijk ongodsdienstige en zelfs antigodsdienstige vormen aan. De
overgeleverde bijbelse opvattingen omtrent de mensen en hun ontstaan, de aarde waarop zij
leven, en het heelal waarvan deze deel uitmaakt, waren grondig verstoord. Het ongeloof van
rationalistischen huize, dat deze kritiek had teweeggebracht, ging hand in hand met morele
veroordeling van de kerk als maatschappelijk instituut.
De nadruk op wetenschappelijk denken als de oplossing voor
alle problemen heeft de hele negentiende eeuw de geesten beheerst. Het was een
voortzetting van de reeds sterk rationalistische tendens van de achttiende eeuw.
Zeer belangrijk is de Franse Revolutie geweest. Deze
gebeurtenis in 1789 had de maatschappelijke verhoudingen op zijn kop gezet. Adel en
geestelijkheid hadden tot dan alle macht in handen gehad. De opkomende burgerij kreeg nu
invloed. De leus van de revolutie, `Vrijheid, gelijkheid en broederschap', maakte
duidelijk waar het de verlichte burgerij om ging. Ook de rest van de bevolking
(ambachtslieden, boeren en arbeiders) schaarde zich hierachter. Zij namen de macht over en
waren daarin aanvankelijk succesvol.
Door de veroveringen van Napoleon Bonaparte (1769-1821)
hebben veel ideeën van de revolutie zich over Europa verspreid. Onder invloed van
Napoleon kwam nog meer nieuws tot stand, bijvoorbeeld het decimale stelsel, het
bevolkingsregister met voor ieder verplicht een achternaam, en het burgerlijk wetboek.
Voor de ontwikkeling van het filosofisch denken in de
negentiende eeuw (bekende namen zijn Hegel, Feuerbach en Nietsche) zijn ook wetenschappers
als Darwin, Marx en Freud van groot belang geweest.
Ook de volgende delen gaan over de geschiedenis van het
humanisme. Daarna komen nog het georganiseerd humanisme en de humanistische kijk op
actuele vraagstukken aan bod.