De doorbraak van het humanisme en het
rationalisme van de Renaissance leidde er in de zeventiende eeuw toe dat de opvattingen
over mens en wereld moesten worden bijgesteld. Tal van wetenschappelijke ontdekkingen
maakten de noodzaak hiertoe des te klemmender.
De Italiaanse natuur- en sterrenkundige Galileo Galilei
(1564-1642) bijvoorbeeld toonde aan dat de gedachte van de `ketter' Nicolaus Copernicus
(1473-1543) juist was: de aarde is rond, draait rondom de zon en is slechts een van vele
planeten in het sterrenstelsel. De katholieke kerk had deze revolutionaire ontdekking
aanvankelijk `verboden'.
Ook ten aanzien van de mens en de natuur op aarde zelf
moesten de inzichten worden bijgesteld. En een geheel nieuwe tak van wetenschap bloeide
op: rechten. Deze discipline werd van enorme betekenis voor het samenleven van de
verschillende volkeren en culturen die elkaar door de grote ontdekkingstochten leerden
kennen. De Nederlander Hugo de Groot (1583-1645) was een van de belangrijkste publicisten
op dit gebied. Hij schreef over het recht van oorlog en vrede, en ontwikkelde het
zogeheten zeerecht. Hugo de Groot wordt internationaal wel gezien als grondlegger van de
moderne mensenrechten.
Ook de volgende delen gaan over de geschiedenis van het
humanisme. Daarna komen nog het georganiseerd humanisme en de humanistische kijk op
actuele vraagstukken aan bod.