In humanistisch perspectief moeten de Middeleeuwen (ca.
500-ca. 1450) beschouwd worden als een terugval in het denken over moraal en wetenschap.
Onder invloed van het zich verbreidende christendom en de macht van de kerk werd in deze
periode van bijna duizend jaar het geestelijk en maatschappelijk leven beheerst door de
overtuiging dat alles van bovenaf gegeven is.
De opkomst van het christendom zette vooral door na de val van het West-Romeinse Rijk in
476. De omvangrijke bevolking van het immense Romeinse rijk, waaronder vele oosterlingen,
werd op het laatst door de machtselite zodanig uitgebuit en onderdrukt dat zij troost en
heil zocht in oosterse religieuze stromingen, waarvan het christendom er één was. Dat
christendom had, evenals de meeste andere strikt monotheïstische (op één God
georiënteerde) godsdiensten, een universele strekking. De leer (de openbaring) en de
verlossing golden voor alle mensen. En dat maakte deze godsdienst voor velen
aantrekkelijk.
De vroege Middeleeuwen (tot de twaalfde eeuw) worden wel de `duistere eeuwen' genoemd.
De katholieke kerk nam in West-Europa de bestuursstructuur van de voormalige Romeinse
staat over en vulde hiermee een politiek en staatkundig vacuüm. Mede dankzij de kloosters
en abdijen speelde zij een rol in het bewaren van de antieke cultuur, zij het in een
christelijk perspectief. Geletterdheid en geleerdheid vond men eerst uitsluitend, later
hoofdzakelijk bij de clerus. Het was de periode van de priesterklasse. Wereldlijke
heersers, wier heerschappij uitsluitend op militaire macht stoelde, schaarden zich graag
bij de kerk en maakten dankbaar gebruik van de clerus voor het voeren van hun
administratie.
De meest gelezen en invloedrijkste figuur uit deze periode was Aurelius Augustinus
(354-430), bisschop van Hippo in Noord-Afrika. Ook hij voelde zich geconfronteerd met het
conflict tussen christendom en de antieke cultuur, die zoveel andere inzichten had
opgeleverd. De dialogen die Augustinus aanvankelijk schreef, liepen alle uit op een
alleenspraak met de Schepper. De waarheid was voor hem niet langer een kwestie van
woorden, van redeneren, zoals bij de sofisten en bij Plato, maar een innerlijk gebeuren
van goddelijke aard. Dit innerlijk gesprek met God of het gebed was een nieuw genre van
spreken in vergelijking met de retorische monoloog bij de sofisten of de platoonse
dialoog.
Toch maakte de rede deel uit van zijn visie op mens en wereld. Waar een Tertullianus
(160-230) uitriep: `Ik geloof omdat het absurd is', stond Augustinus aan de wieg van de
opvatting `Ik geloof teneinde te begrijpen'. En hoewel hij het uitgangspunt van Genesis
(`En God schiep de mens naar zijn beeld') volledig onderschreef, meende hij tegelijk dat
de aarde en al wat zij bevat aan de mens onderworpen is en dat de mensen er daarom als
rentmeesters verantwoording over verschuldigd zijn. Zijn Belijdenissen behoort tot
de weinige literatuur uit de christelijke oudheid die de tand des tijds heeft doorstaan.
Nog altijd speelt Augustinus een rol in het denken van de katholieke kerk.
Het wetenschappelijke denken in die tijd wordt wel aangeduid met de term `scholastiek':
filosofie en theologie vielen samen. Uiteraard is hiermee niet gezegd dat de bestaande
ideeën over rechtvaardigheid geheel uit het gezichtsveld verdwenen. Maar over het
algemeen overheerste een besef van de nietigheid van de mens en de opvatting dat de mens
alleen met behulp van de goddelijke genade tot het goede in staat is. En dat die God ook
zou bepalen wat rechtvaardig is.
De discussievraag bij deze uitzending luidt: