Humanisten menen dat mensen zich niet goed kunnen
ontplooien, als zij voortdurend op hun hoede moeten zijn voor gevaren waarvan de omvang en
de gevolgen niet te overzien zijn. Dat geldt de laatste dertig à veertig jaar in hoge
mate voor de aantasting van ons milieu.
Voor alle sociaal levende dieren bestaat er een
wisselwerking tussen hun groep en het milieu. Als de groep het milieu bederft of uitput,
nemen de levenskansen af. De groep verdwijnt totdat weer evenwicht is bereikt. Mensen
hebben zich door hun beheersing van het vuur, ontwikkeling van taal en schrift,
ontwikkeling van landbouw, bestrijding van ziekten en ontwikkeling van de techniek,
gedeeltelijk onafhankelijk van de natuur gemaakt. Zij hebben als geen andere biologische
soort het milieu geëxploiteerd en uitgeput. Pas zeer recentelijk begon tot sommigen door
te dringen dat onze biosfeer de dunne schil om de aarde waarin ons leven zich
afspeelt niet oneindig is. Zo ontstond het besef dat de mens bezig is de
leefbaarheid in die biosfeer ernstig aan te tasten.
De technische prestaties van de mens, die de materiële
kwaliteit van leven enorm verhoogd hebben, hadden deze aantasting van het milieu als
neveneffect. Het nastreven van een leefbaar milieu is een zaak van alle mensen op aarde,
waaraan niemand zich mag onttrekken; voor humanisten geldt in dit verband dat zij zich
zelf verantwoordelijk weten voor hun leven, zonder hulp van een bovennatuurlijke macht.
Volgens de psycholoog Maslow bestaat er een rangorde, een
ladder van menselijke behoeften. Pas als de lichamelijke behoeften (eten, drinken,
beschutting, enzovoort) vervuld zijn, komt vervulling van de sociale behoeften
(veiligheid, erkenning) aan de orde, en pas daarna de vervulling van culturele behoeften.
Een goede biosfeer is de basis waarop deze ladder van Maslow rust.