Dus ik ben op: home ›› meedenker ›› rob wijnberg

Meedenker uitgelicht

Rob Wijnberg

Rob Wijnberg

Rob Wijnberg (1982) is hoofdredacteur van de nrc.next. Samen met Stine Jensen schreef hij het boek 'Dus ik ben' (2010) in navolging van een artikelenreeks in de nrc.next.

Hij schreef verder onder andere: 'In Dubio - Vrijheid van meningsuiting als het recht om te twijfelen'(2008), 'Nietzsche en Kant lezen de krant' (2009) en 'En mijn tafelheer is Plato' (2010).

29 juli 2009

Wie ik ben? Nou, ik zit in vastgoed.

Filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken in de serie ‘Dus ik ben’ deze zomer in nrc.next de vraag: hoe definiëren wij onszelf? De artikelen uit de krant verschijnen ook op dit blog. Op zoek naar identiteit - aflevering 5: Ik werk, dus ik ben.

“Mijn naam is Pieter, 38 jaar. In het dagelijkse leven ben ik loodgieter.” “Ik ben Sandra, 42 jaar, en verpleegkundige.” “Dirk-Jan is de naam. Ik ben 29 en werk als financieel adviseur.” Zet een willekeurige groep vreemden bij elkaar en laat ze zich aan elkaar voorstellen. De kans is dan groot, zo niet honderd procent, dat iedereen na het noemen van zijn naam en leeftijd, onmiddellijk begint over zijn beroep. Alleen al daaruit valt op te maken dat ons werk een zeer bepalend onderdeel is van onze identiteit. Voor velen geldt: wat ik doe, is wie ik ben.

Al vroeg worden we met deze notie van identiteit bekend gemaakt, wanneer volwassenen aan kinderen vragen: ‘Wat wil je later worden?’ – doelend op een toekomstige carrière. Vreemd genoeg staat het beroep niet op onze identiteitskaart vermeld, waarschijnlijk omdat mensen te vaak van baan verwisselen. Maar op alle formulieren die we over onszelf invullen, of de Hyves-profielen die we van onszelf maken, staat bijna altijd een beroep of functie vermeld. Zelfs in contactadvertenties vertellen mensen meestal éérst over hun baan en pas dan over hun hobby’s of andere interesses.

In de sociologie wordt het belang van het werk voor de vorming van een identiteit al jaren onderkend. Talloze onderzoeken hebben uitgewezen dat ons zelfbeeld en zelfvertrouwen sterk samenhangen met de baan die we hebben. Succes en een gevoel van zingeving blijken daarbij belangrijke factoren: wie carrière maakt, goed betaald wordt, waardering krijgt van collega’s en het gevoel heeft nuttig te zijn voor anderen, vereenzelvigt zich meer met zijn werk dan iemand die zijn broodwinning slechts ziet als een ‘verplichting’ om rond te kunnen komen.

Soms gaat de vereenzelviging met het werk zo ver dat het onderscheid tussen de persoon en zijn beroep als het ware vervaagt – een fenomeen dat bekend staat als beroepsdeformatie. Prototypische voorbeelden daarvan zijn alom bekend: de accountant die in alles stipt en precies is, de timmerman die ook thuis loopt te klussen en de psycholoog die aan iedereen levensadvies geeft. In academische omgevingen komt beroepsdeformatie ook voor: hoogleraren bijvoorbeeld zijn op hun werk soms zo analytisch en rationeel ingesteld, dat het afbreuk doet aan hun empathie en hun vermogen om sociale contacten te leggen – ook wel het ‘professorensyndroom’ genoemd.

De vraag blijft natuurlijk of mensen door hun werk een bepaald karakter ontwikkelen, of dat mensen met een bepaald karakter vaak soortgelijk werk doen, maar het verband is in ieder geval duidelijk. Toch is de relatie tussen werk en identiteit in de filosofie eeuwenlang onderbelicht gebleven.

Veel filosofen, variërend van Aristoteles (384-322 v. Chr.) tot Bertrand Russell (1872-1970) en met name Karl Marx (1818-1883), keken neer op arbeid en stelden dat door te werken de mens juist van zichzelf vervreemdde. Marx zag vervreemding (‘entfremdung’) van de “menselijke natuur” zelfs als een onvermijdelijk product van het kapitalisme: de arbeider werd gedegradeerd tot “object” in het productieproces beheerst door kapitalisten, aldus Marx.

Deze filosofische weerzin tegen werk kan deels worden herleid tot abominabele arbeidsomstandigheden. Het heeft tot zeker de twintigste eeuw geduurd voordat arbeiders rechten kregen en hun belangen door vakbonden werden behartigd. Tot die tijd was de werkdag lang, het salaris laag en de voorwaarden nauwelijks noemenswaardig. Met pensioen gaan was zelfs ondenkbaar; de meeste mensen haalden de huidige pensioenleeftijd niet eens. Geen wonder dus dat veel denkers liever schreven over ideale samenlevingen waarin niet gewerkt hoefde te worden dan over de manier waarop mensen zich vereenzelvigden met hun werk.

Maar de weerzin heeft ook een diepere reden, die samenhangt met wat filosofen eeuwenlang beschouwden als de functie van filosofie en het soort mensbeeld dat daaruit voortkwam. Sinds Plato (427-347 v. Chr.) is de westerse filosofie namelijk altijd sterk georiënteerd geweest op het metafysische. Ware filosofie, zo was de gedachte, moest zich bezighouden met het vinden van eeuwige, transcendente en onweerlegbare waarheden – niet met toevallige, tijdsgebonden observaties. Ideeën over wat het betekent om te ‘zijn’ (of preciezer: mens te zijn) kregen hierdoor ook een sterk metafysisch karakter.

Zo werd lange tijd gedacht dat de essentie van mens-zijn lag in het feit dat hij geschapen was in het evenbeeld van God. Plato lokaliseerde op zijn beurt de essentie van de mens in diens unieke vermogen om te komen tot ware (transcendente) kennis. Ook Descartes had een soortgelijk uitgangspunt (’ik denk, dus ik ben’). En door de Verlichting werd de gedachte prominent dat de mens in essentie een ‘moreel wezen’ was; zijn unique selling point was het vermogen goed en kwaad te onderscheiden.

Met andere woorden, de menselijke identiteit werd meestal gedefinieerd in termen van ‘eeuwige’ eigenschappen, die niet van het toevallige en aardse afhankelijk waren. Of, zoals de Amerikaanse filosoof Richard Rorty ooit stelde: “Het ‘zijn’ is eeuwenlang opgevat als iets dat niets te maken had met tijd.”

Deze opvatting veranderde radicaal met de opkomst van het existentialisme in de 19e en 20ste eeuw. Grote invloed had met name het boek Sein und Zeit (Zijn en Tijd) van de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976). De titel vat de ommekeer in het denken eigenlijk perfect samen: wat het betekende om te ‘zijn’, moest niet langer worden gezocht in tijdloze fundamenten (God, het Goede, het Ware, de Rede), maar in tijdsgebonden interpretaties van het bestaan zelf. Oftewel, het zijn in de tijd.

Het belangrijkste uitgangspunt hierbij was de afwijzing van het Platoonse idee van een ‘transcendente’ waarheid. De existentialisten stelden, in navolging van hun inspirators Søren Kierkegaard en Friedrich Nietzsche, dat het bestaan geen ‘hoger doel’ voor ogen had, die door de mens kon worden ‘ontdekt’ (zoals Nietzsche zei: “God is dood”). Volgens klassieke filosofen zou dit het bestaan ‘zinloos’ maken, maar existentialisten stelden juist dat in het ontbreken van een hoger doel de menselijke vrijheid schuilt: de mens kan zijn eigen waarheden en levensinvulling bepalen. Hij heeft geen ‘essentie’ waaraan hij moet voldoen, slechts een ‘existentie’ die hij moet vervullen.

Dit betekende een grote verandering in de betekenis van identiteit. De mens werd niet langer begrepen in termen van tijdloze eigenschappen (wat hij is), maar in termen van tijd- en plaatsgebonden praxis (wat hij doet). De existentialist Jean-Paul Sartre (1905-1980) vatte dit idee het meest treffend samen, toen hij zei: “To be is to do.” – een gedachte die veel gelijkenis vertoont met Heideggers stelling: “De mens is zijn projecten.”

In dit basisidee van het existentialisme (’de mens is zijn eigen schepping’) ligt de kiem van onze opvatting dat je bent wat je doet, of hedendaagser geformuleerd: ik werk, dus ik ben. Je zou zelfs kunnen stellen dat het aan dit idee te danken is dat veel mensen (vooral de zogenoemde young professionals) tegenwoordig zo’n groot belang hechten aan ‘zelfontplooiing’ en ‘groeimogelijkheden’ binnen het werk. Wie is wat hij doet, beschouwt stilstand in zijn carrière immers automatisch als stilstand in zijn persoonlijke ontwikkeling – een gedachte die vóór de 20ste eeuw nagenoeg onbestaand was.

De filosofie van Heidegger en Sartre bevat overigens niet alleen een radicaal andere kijk op identiteit, maar ook een wijze les voor mensen die lijden aan keuzestress – een probleem dat met name voorkomt onder scholieren, pas afgestudeerden en dertigers die twijfelen over de (academische) carrière die zij willen volgen. Zij breken zich voortdurend het hoofd over vragen als ‘wat moet ik doen met mijn leven?’ of ‘wat wil ik eigenlijk écht?’. Blijft een antwoord uit, dan veranderen alle keuzes als vanzelf in dilemma’s: is dit het juiste om te doen? Of is het andere niet toch beter?

Wat het existentialisme leert, is dat dit patroon van twijfelen over wat je wilt alleen kan worden doorbroken door daadwerkelijk iets te doen. Wie je bent, en dus wat je wilt, is immers wat je doet. Daarom is keuzestress vaak een vicieuze cirkel: wanneer je twijfelt aan wat je wilt, durf je geen keuzes te maken, word je lethargisch en zal je ook nooit weten wat je wilt. Het antwoord op die vraag kan immers, om met de existentialisten te spreken, niet ‘ontdekt’ worden: die maak je. Hoe hardnekkig dit probleem kan zijn, zie je vooral bij langdurig werklozen: door tijden lang niets te doen, verliezen ze (een deel van) hun identiteit – en daarmee de wil om iets te ondernemen.

De wijze les is, kortom, deze: ga nooit op de hei zitten reflecteren om ‘jezelf’ te vinden. Daar ben je namelijk niet.

Reacties

  • Ik werk dus ik ben. Mooi als dat zo makkelijk zou zijn dan Zijn er dus p.m. 12 miljoen Nederlanders. Dat laat een verouderd beeld van de perceptie zien van het begrip Werk , en ook dat het begrip zeer geladen is.
    Maar wat is nu de intrinsieke betekenis van werk. Ik functioneer (wie bepaalt mijn handelingsbekwaamheid) als mens in een systeem van normen en waarden (en stigma's) waarbinnen ik voldoende vrijhoud behoud voor mijn identiteitshandhaving en ik als deelnemer arbeidstechnisch een leven in mag (misschien zelfs wel in het zweet des aanschijns Moeten) en in Kan richten. Maar ben je als deelnemer dus ook deelhebber van dat Zijn; dus ik ben door Werk. Niets is haast onmogelijk ! Dat is een zin die een man op een houten bordje met zich mee droeg, ik stapte op hem af en vroeg hem of hij de lading van die aankondiging wel begreep, hij begreep het op zijn wijze (vrijheid) ik op mijn wijze. Is -zoals hierboven al even werd aangehaald- het Niets doen de moeilijkste vorm van Werk en kom je daarmee tot de kern of tot bijdrage aan het geheel van de productieve maatschap. Inderdaad men lijkt ook veel te vluchten in werk als paspoort om erbij te mogen horen en op feestjes is de 2e of 3e legitimatie vraag niet Wie ben je en wat zijn je hobbies maar : Wat doe je? Cogito tot Robotter Ergo Sum...

    Laten we in de sfeer van Fransicus van Assisië in en aan levenslust werk behouden dan is de eerste intrinsieke voorwaarde voor het begrip waar de inhoud van Werk aan zou kunnen voldoen als vrijwillige aanzet reeds gedaan. Van een technocratie hoeft demos niet veel te verwachten dan dat de auto-machine het steeds meer overneemt van de mens en dat de mens van de toekomst zal moeten leren discipline en spaarzaamheid op te moeten gaan brengen om überhaupt nog een zinvol werkzaam bestaan te kunnen invullen. Dus een wending aan het verouderde begrip dat we hebben van Werk door nieuwe zingeving aan het toekomstige concept Werk en daaraan bij te dragen lijkt me ook erg nuttig.

    Madrason

    Reactie door madrason - 19 augustus 2009 - 03:03
  • De "Over de auteur" pagina van www.robwijnberg.nl begint met de volgende tekst:

    "Rob Wijnberg (1982) is opinieredacteur en columnist van nrc.next."

    Hoe treffend!

    Reactie door Barry NL - 8 augustus 2009 - 14:02
  • Ik zie dat er een fout is geslopen is in mijn reactie. Het moet uiteraard zijn: Hij heeft ons gemaakt om met elkaar in gemeenschap te leven en naar elkaar om te zien. Het woordje "niet" hoort er niet te staan. Een heel mooie reactie trouwens van Math. Ik heb het net gelezen en zag dat hij dezelfde thema,s benoemt, die ik benoem. Alleen heb ik de indruk dat hij zichzelf uitsluit, als hij spreekt over "veel mensen". Op één of andere manier denken we altijd dat we zelf dit "noodlot" kunnen vermijden of overstijgen. Misschien wel, maar dan is er wel weer een andere valkuil.

    Reactie door Herma Lourens - 31 juli 2009 - 11:11
  • Dus ik ben?

    Leuk dacht ik, weer eens een artikel van Rob. Ik vind het altijd interessant als je de theorieën van andere bekende filosofen tegen het licht houdt. Door de eeuwen heen hebben we ons al bezig gehouden met “zingeving”. Veel verder heeft het ons niet gebracht. Misschien moeten we er maar mee ophouden. Waarom dan toch altijd die zoektocht naar het transcendente en het metafysische. De onzichtbare werkelijkheid. Want dat die er is ,is voor niemand een vraag. Achter de schrijver van het boek vermoeden we toch altijd zijn geest, ook al is de geest onzichtbaar. De zwaartekracht “ervaren” we maar zien we niet. En dat er zoiets is als “geloof” weten we ook intuïtief. De zaaier zou het zaad niet in de akker zaaien als hij niet geloofde dat het op zou komen en vrucht zou dragen. We “geloven” dat we inderdaad 30 liter hebben getankt als dit op de teller staat. Niemand zal het narekenen. Als Max Westerman ons op de TV verteld dat hij op dat moment in New York is nemen we dit klakkeloos aan. Als de dokter ons verteld dat we toch echt geopereerd moeten worden vertrouwen we erop dat hij het wel zal weten. Het leven zou onleefbaar worden als we geen vertrouwen (geloof) meer hadden. Dus is het niet vreemd voor de mens om te geloven. Toen Nietsche zei dat God dood was, was dat waarschijnlijk ook meer een zaak van de “wil” dan van het verstand. God ervaren we als een spelbreker die ons niks gunt en ons alleen maar een schuldgevoel aanpraat. Dit gebeurt dan door Zijn instituut op aarde: de kerk. En ook de Bijbel kan er wat van. Alle mensen zijn slecht staat er in de Bijbel. Er is er niet één die goed doet. Met zo,n boek willen we niets te maken hebben. Het staat onze ontwikkeling maar in de weg! Zadelt op ons met een negatief zelfbeeld waar we niet op zitten te wachten. We laten ons ook niet voorschrijven wat we moeten geloven. We zijn autonoom en kritisch. Tenminste dat denken we.
    Ook vroeger hadden mensen een identiteit. Het is natuurlijk niet iets alleen van deze tijd. Als men boer was keek men neer op de arbeider. Een boerendochter kon daarom ook niet trouwen met een arbeider. De notabelen (zoals de notaris, de dokter, de dominee) hadden ook weer een aparte status. Men sprak over hen met ontzag en nam de hoed af in het voorbijgaan. Onder de groepen onderling was er een sterke saamhorigheid. De boeren hielpen elkaar en leenden onderling hun knechten aan elkaar uit. Het maakte het geen verschil of men herenboer was of keuterboer. De groep hielp elkaar. Dan had je ook nog de “bijnamen” die uitmaakte van wie jij er één was. In families kwamen ook dezelfde namen terug. In één familie had je er verschillende die bijvoorbeeld “Kees” heetten. Je identiteit stond vast. Weinig mogelijkheden om er aan te ontsnappen. In tegenstelling tot nu. We kunnen nu onze eigen identiteit creëren. Alles is maakbaar. Je hebt het ZELF in de hand. De technologische ontwikkelingen lijken dit alleen maar te bevestigen. Er is niets wat de mens niet kan. De ontwikkelingen zijn , met name, na de 2e WO zeer snel gegaan zoals je weet. Door de vergaande industrialisatie ,konden we steeds meer opbrengsten genereren.
    We kunnen ons hierbij afvragen wat het ons allemaal heeft opgeleverd. Zonder de uitvinding van het vliegtuig hadden we niet de huidige oorlogsindustrie gehad in de vorm van geavanceerde oorlogsvliegtuigen, kruisraketten e.d. Zonder de uitvinding van het vliegtuig hadden ook ziektes als HIV, Mexicaanse griep en allerlei varianten niet zo om zich heen kunnen grijpen. De dagelijkse uitstoot van kerosine in de atmosfeer draagt voor een belangrijk deel bij aan de opwarming van de aarde. Het luchtruim is ernstig vervuild met allerlei ruimteafval. Wat heeft deze uitvinding ons nu werkelijk voor voordeel opgeleverd? Ja, de wereld is een dorp geworden, maar of we daar nu zoveel voordeel van hebben? Maar we zijn zo geprogrammeerd dat iedereen je voor gek verklaard als je de voordelen ontkent. Omdat we niet willen weten dat we het misschien toch niet zo goed hebben gedaan. Vooruitgang, zo redeneren we, is per definitie goed want stilstaan is achteruitgang, wordt er dan gezegd. En achteruitgaan schijnt per definitie heel erg te zijn. Kost wat kost houden we vast aan de superieure maakbare mens en dat we met z,n allen heel goed bezig zijn. We evalueren alleen maar en we zullen steeds verder evalueren. Ja de kredietcrisis daar konden we niets aan doen. Een paar graaigrage personen zouden hier voor verantwoordelijk zijn. En die rotte appels heb je er nu eenmaal altijd tussen. Het klimaat moeten we ons niet druk om maken. Vroeger hadden we een ijstijd en dat gaat vanzelf weer over. Armoede? De economie trekt weer aan. Je zult het zien.
    De TV, nog zo,n geweldige uitvinding, is mede verantwoordelijk voor de afglijdende moraal. Waar we naar kijken dat “zijn” we. Waar je hart is daar is je schat. Het is een utopie dat we niet te beïnvloeden zouden zijn. Dan konden de reclamemakers ook wel naar huis gaan. Wel is het zo dat we zelf kunnen beslissen waar we ons door laten beïnvloeden. We zijn geen robots. Hoewel het soms wel zo lijkt. We kijken naar dezelfde films , we lezen dezelfde boeken, we gaan naar dezelfde landen op vakantie, we hebben dezelfde mening want we kijken naar dezelfde actualiteiten programma,s, hebben dezelfde “spullen”. Zitten op Hyves of twitteren. Dat moet anders tellen we niet mee. En we willen er vooral toch heel graag bijhoren. Van een persoonlijke keuze is nauwelijks sprake. We laten ons gedrag sturen door de omstandigheden. En niemand schijnt het zich bewust te zijn. We weten precies wat we moeten doen om carrière te maken. Er zijn boeken vol over geschreven. We zijn perfect “geprogrammeerd”. We laten ons niet voorschrijven wat we moeten doen door een “God”. Maar we laten het ons wel voorschrijven door de mensen. In de vorm van de Media, Literatuur, Overheid. Het huidig humanistisch mensbeeld nemen we klakkeloos over. Omdat we er over hebben nagedacht? Of omdat het naadloos op ons zelfbeeld aansluit? Het is een prettige gedachte als we ons inzetten voor de armlastige of psychiatrische medemens vanuit het idee dat we het nu eenmaal zelf beter hebben en het daarom verplicht zijn. Het lijkt nobel maar het achterliggend mensbeeld is dit niet. Men gaat er vanuit dat we het zelf beter hebben omdat we daar zelf voor “geknokt” hebben. We hebben het dus ook zelf verdiend. We bekijken de stumpers medelijdend die niet de capaciteiten hebben die wij hebben. En/of niet dezelfde ambitie en gedrevenheid. Vanuit die superioriteit zijn we graag bereid (en voelen we ons verplicht) hen te helpen. Dit mensbeeld is niet veel beter dan het mensbeeld wat Hitler had. De Übermensch en de Untermensch. Met dit verschil dat wij ons wel bekommeren om de Untermensch. Het is een mensbeeld wat tot onmenselijk handelen kan lijden. Nu al vindt de jeugd dat de “ouderen” hun verantwoordelijkheid moeten nemen en de toekomst van de jongeren niet in de weg moeten staan. Heel goed dat de regering wilt dat ze door werken tot 67 jaar. Wij , de jongeren, moeten het tenslotte allemaal gaan betalen. Hetzelfde mensbeeld waardoor men de chronisch zieken zou kunnen verplichten om een euthanasieverklaring te tekenen omdat dat “sociaal” zou zijn ten opzichte van de jeugd, die nog een toekomst voor zich heeft. De ouderen drukken zwaar op de kosten van de gezondheidszorg. De bijbelse Visie gaat er vanuit dat iedereen gelijk is en dat we alles uit Gods hand ontvangen. Wat we uitdelen en/of wat we hebben, dat hebben we dus eerst zelf gekregen (of niet gekregen). We geven het daarom uit “Gods” hand. We zouden niet kunnen studeren als we niet waren geboren met een goed verstand. We hebben hier zelf niet de hand in gehad. En dat geld voor al onze functies. Ook de plek waar we geboren zijn hebben we niet zelf uitgezocht. Ook al menen veel mensen dat dit alles is te danken aan het toeval, dan nog hebben wij dit “toeval” niet zelf veroorzaakt. Nu hoor ik iemand zeggen waarom krijgt de één dan meer dan de ander van God? Maar dat is een vraag die mensen stellen die hun blik alleen richten op dit leven en denken dat daarna alles ophoudt. Het is ook een vraag van mensen die denken dat men door God in het hier en nu al beloont of gestraft wordt. Dat het de één goed gaat en de ander niet heeft niets mee te maken met straffen of belonen. Dit is een “menselijke” (horizontale) gedachte. Wat weer niet wil zeggen dat God niet zou kunnen straffen of belonen.
    Er zijn genoeg redenen waardoor we zouden kunnen gaan twijfelen aan het succes van de maakbare mens. Kredietcrisis, milieucrisis, voedselcrisis, oliecrisis, relatiecrisis, opvoedingscrisis, winterdepressie, zomerdepressie. Ondanks onze “evaluatie” kunnen we alle rampspoed blijkbaar toch niet voorkomen en zelfs niet aan zien komen.
    We hebben altijd alleen maar gestreefd naar vooruitgang zonder de eventuele nadelen te berekenen. De voordelen (van bijvoorbeeld industriële landbouw i.p.v. biologische) zijn nu eenmaal makkelijker te berekenen dan de nadelen. De vooruitgang is een geest waardoor we worden voorgedreven. We worden voortgejaagd door een systeem wat we niet kunnen stoppen of even een pas op de plaats kunnen laten maken. Alsmaar worden we voorgedreven en we hebben geen keuzevrijheid hierin. We zijn niet vrij, in tegenstelling tot wat we denken.! We denken dat we vrij zijn omdat het ons materieel goed gaat. Dit suggereert slechts vrijheid. Hoe vrij zijn we als de massa werkeloos zal worden, als het Midden-Oosten conflict wereldwijd zal worden uitgevochten, als er overal om ons heen terreuraanslagen zijn, als we niet meer veilig zijn, als de banken hun deuren sluiten en we niet meer kunnen pinnen, als de criminaliteit toeneemt, als er wereldwijd voedselschaarste is, als epidemieën om zich heen grijpen. Wat kunnen we dan nog? Natuurgeweld kan ons zomaar overvallen. We zijn er niet op voorbereid en ook niet tegen bestand. Ondertussen worden er miljarden gespendeerd aan het onderzoek naar de planeet Mars. Laten de “bobo,s” straks de boel in de steek? Laat de aarde het maar zelf uitzoeken? Wij zijn Pleiten?! Gaan we dan opnieuw roofbouw plegen maar dan op Mars of hebben we inmiddels geleerd? Zal het alleen ooit zover komen? Of moorden we elkaar voor die tijd al uit?
    We zijn er bijna! We kunnen al een mens “maken”. Niet naar Gods beeld maar naar ons beeld! En hoeveel miljoenen zijn er al uitgegeven aan het onderzoek naar het fenomeen “dood”. Eens willen we ook die overwinnen. Dan gaan we alleen nog dood als we dit zelf willen. Eens zullen we ook alle ziektes kunnen uitbannen. Eens zal er een medicijn komen tegen kanker. Dood en ziekten, we kunnen er niet tegen en stoppen de gedachten eraan het liefst ver weg. Of we creëren er een romantisch beeld omheen à la Andre Hazes. Het leven moet nu genoten worden. Daarna is er niets meer. Blijf de vraag waarom we zo weinig genieten. Blijf de vraag waarom we zo ontevreden zijn terwijl we het materieel zo goed hebben. Blijf de vraag waarom er zoveel mensen vluchten in drugs, drank, erotiek. Waarom we vluchten in dromen als we het toch zo goed hebben en zo genieten? Dromen in de vorm van films, romans, soapseries. Sommigen kunnen er geen genoeg van krijgen! En zo verdromen we ons leven. Wanneer worden we wakker?
    Het deel van de mensheid wat niet mee kan in de vaart der volkeren eindigt vaak bij de psychiater. Waarom ben ik zo depressief dokter? Ik heb het gevoel dat ik niks waard ben. Dat niemand me zou missen als ik niet zou bestaan.
    Dan toch maar op de hei gaan zitten om onszelf te vinden? Nee, daar zijn we inderdaad niet. In onszelf kunnen we niets vinden (sommige zoeken naar een goddelijke vonk) en zonder onze medemens functioneren we niet. We hebben de ander nodig. We bestaan (existeren) niet bij de gratie van onszelf maar bij de gratie van Diegene die ons gemaakt heeft. Hij heeft ons niet gemaakt om in gemeenschap met elkaar te leven en om naar elkaar om te zien. Het is natuurlijk een belachelijk idee dat we spontaan ontstaan zouden zijn. Welke oorzaak zou hier verantwoordelijk voor kunnen zijn? We hadden opeens genoeg van het bomen klimmen en zijn rechtop gaan lopen. Hoe ging dat dan? En waar zijn dan de zogenaamde “tussenvormen”. Niet gevonden? Nou ja… , een detail. We geloven altijd alleen datgene wat we willen geloven. We zouden ons massaal tot het Christendom bekeren als men een groot hakmes boven ons hoofd hield.
    Als we oog krijgen voor het wonder van de natuur krijgen we ook oog voor de onzichtbare werkelijkheid. De aarde is ontstaan uit het onzichtbare. Het is voor ons mensen alleen heel moeilijk om onze blik ergens anders op te richten dan op onszelf (en de invloed van onszelf op onze omgeving). We kunnen slechts kijken tot de horizon (horizontaal).
    Als we kijken naar de “dode” natuur in de winter en we zien alles tot bloei komen in de lente dan kan iedereen weten dat er zoiets bestaat als “opstandingskracht”. Alles wat “dood” was wordt weer levend. Dat gaat vanzelf, zegt men. Ja dat klopt en dat vanzelf heeft een naam: God.

    Het is onze hoogmoed die ons er van weerhoudt om onze blik naar boven te richten (verticaal). We willen niet onszelf verliezen. Terwijl je je af kunt vragen wat er te verliezen valt aan onszelf. Voor wie en voor wat leven we? Is het niet voortdurend tot meerdere glorie van onszelf. We kloppen ons voortdurend op de borst. We kunnen geen genoeg krijgen van onszelf. Zoeken altijd naar zelfbevestiging. Krijgen we die niet dan verliezen we ons in dromen, want dan kunnen we het zelf sturen. We proberen ondertussen om onszelf ervan te overtuigen dat we een wezenlijke bijdrage leveren aan de geschiedenis. Uiteindelijk ook vanuit een narcistisch zelfbeeld. Want de wereld wordt er niet beter of slechter van dat Contador de Tour heeft gewonnen. Misschien dat Obama een bijdrage kan leveren. Maar of die goed of slecht was zal pas aan het einde uitgemaakt worden en dan ook nog niet eens door hemzelf.
    Waarom hebben we toch zo,n positief beeld van onszelf? Het mist iedere grond!
    Ja zul je zeggen, maar dan komt er een schuldvraag om de hoek kijken. En dat willen we nu juist niet. We kunnen volgens de psychologie niet met de gedachte leven dat we “dader” zijn. Daarom zullen we altijd proberen om dit om te draaien naar de rol van “slachtoffer”. Dan gaan we nl. vrijuit. Het is uiteindelijk altijd de schuld van die ander dat ik zo doe of zo ben. Als God nu eerst maar eens een einde maakte aan al het geweld. Ja… dan zou ik misschien geloven. Als er nou eerst maar dit of dat gebeurde. Ja ….dan misschien. Als God nou maar eens uit de hemel kwam…dan zou ik het geloven. En als ik een zondaar ben dan heeft God mij toch zeker zo gemaakt! Daar kan ik toch niks aan doen! Ineens zijn we niet meer zo autonoom. Ineens hebben we geen vrije wil meer (wat we voorheen nog pretendeerde) maar stellen we ons op als afhankelijke schepsels die zijn overgeleverd aan de willekeur van een ander (in dit geval God). We doen alsof we geen eigen verantwoordelijk meer hebben en wijzen naar God. Hij heeft ons toch gemaakt! We menen ongestraft ons gang te kunnen gaan en leggen alles op het ‘bordje” van God. Of we zeggen: Jezus hoeft niet voor mij te sterven. Ik schuif de schuld niet op een ander ( en menen daardoor een altruïstische daad te stellen). De achterliggende gedachte is: we sterven toch allemaal. Maar Jezus stierf voor onze zonden zodat we niet voor de tweede keer zouden sterven. Dat is de eeuwige dood.
    Met Plato zou ik daarom willen zeggen. Onze identiteit ligt in het transcendente, het metafysische, in God.

    Reactie door Herma Lourens - 31 juli 2009 - 00:12
  • Ik heb het gevoel dat "ik werk, dus ik ben" beter vervangen kan worden met "ik doe/handel, dus ik ben".
    Werk is volgens mij te specifiek, het gaat om alle soorten rollen en de daarbij behorende akties die ik onderneem in mijn leven.

    Daarbij schaar ik trouwens "niets doen" ook onder, zolang het een genomen keuze betreft.
    Ook slapen is iets doen.
    Eigenlijk stond dit al in het artikel, bij monde van Sartre.

    De interessante verhandeling zou kunnen gaan over een aktieve dan wel passieve aspecten van het handelen. Tot en met Heidegger krijgt het Zelf de voorrang, hoewel Heidegger beide aspecten nog volop erkende. Bij Sartre verdween het passieve aspect steeds meer, het Zelf is (bijna) altijd maakbaar.

    Na Levinas krijgt de Ander, als echte medemens, niet zoals bij Nietsche de Uebermensch die best in het Zelf nog kan inhuizen, weer eens de voorrang, wanneer hij zei (niet letterlijk) dat: "De schok met het kwetsbare gelaat van de Ander vindt plaats in het heden en zet alles op zijn kop". Het is de Ander die het Zelf appeleert om zijn verantwoordelijkheid te nemen. De Ander geeft het Zelf de tijd, wordt bewust van zijn bestaan.

    Reactie door Ron Sudiono - 30 juli 2009 - 13:01
  • De identificatie van de mens met zijn beroep -‘Wat ik doe, is wie ik ben.’- is heel legitiem, ze is nu eenmaal een gevolg van ons filosofische en culturele erfgoed. Maar die identificatie is één van de identificaties die een mens kan maken. Al is de fixatie op arbeid in onze persoonlijkheidsvorming dominant, het is wel zaak precies in beeld te krijgen wat de implicaties zijn van dit (voor sommigen) verlichte mensbeeld. Ooit schreef Marleine Vos in haar NRC column (25 juli 2005) over de inzichten van filosoof Metzinger over het 'zelf' –of juist het ontbreken daarvan. De mens heeft weliswaar een zelfgevoel, maar het zelf is een gecreëerde fictie. Met name in het boeddhisme is (en wordt) deze visie vanuit alle mogelijke invalshoeken onderzocht en bevestigd. Vos noemde het niet, Metzinger zelf lijkt er, op de vraag naar de maatschappelijke consequenties van de ‘zelfloosheid’ die door de hersenwetenschappers is blootgelegd, wel even naar te verwijzen. Ons zenuwstelsel heeft volgens hem de neiging ‘voorrang te geven aan sensationele prikkels’: op den duur zou dit kunnen leiden tot ‘mentale zelfvergiftiging.’ Meditatielessen op school zouden een uitweg kunnen bieden.

    Mijns inziens is het gewenst de ethische en morele implicaties van het gewijzigd zelfbesef voor het westerse wereldbeeld diepgaander te onderzoeken. Wat te doen, wanneer het 'zelf' niet de autonome beslissingsmachine is, opgetuigd met zaken als karakter, daadkracht en doorzettingsvermogen, die het westerse denken er van heeft gemaakt. Komen we wel uit waar we willen door alleen de blik naar voren te richten op doelen die vooral worden ontleend aan ideeën over technologische vooruitgang en maatschappelijk welzijn? Heidegger houdt de westerse mens óók een spiegel voor. Wat doet de tijd (en daarmee de tijdelijkheid en veranderlijkheid) met ons, wanneer wij geen doelen meer hebben die appelleren aan een persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef, maar meestal vanuit de collectiviteit worden gedefinieerd? Een duivels dilemma, nu ’hele industrieën klaar staan om [onze] aandacht…te kapen’ (Metzinger) -ook existentialisten als Kierkegaard, Heidegger en Sartre braken zich het hoofd over deze kwestie!

    Spinoza’s (nog zo’n filosoof van de ‘eeuwigheid’) verhandeling over de menselijke gevoelens, emoties (en gedachten) in de Ethica komt verrassend dicht in de buurt van het boeddhistische standpunt. In Spinoza’s wereldbeeld is de mens aanzienlijk minder vrij en autonoom dan hij denkt. Wanneer zelfkritiek en zelfreflectie ontbreken, kan zelfs het karakter van het meest daadkrachtige personage volledig scheefgroeien. Van ‘steeds betere inzichten’ gedurende de levensloop is bij vele volwassenen geen sprake. Of gaan de veroorzakers van de financiële crisis vrijuit? Veel mensen zitten gevangen in een web van tegenstrijdigheden en collectieve verdringing. Het boeddhistische idee van zelfloosheid beteugelt de maatschappelijke uitwassen van onrealistische verlangens, idiosyncrasie en andere vormen van zelfoverschatting (of gebrek aan zelfkennis), het reguleert de menselijke behoeften op een evenwichtige manier zonder deze te onderdrukken of bloot te stellen aan overbodige, veelal schadelijke invloeden van buitenaf... Het inzicht dat geen enkele beroepsidentificatie een garantie biedt voor de vrijheid die we zo hoog in het vaandel dragen, verdient het grondig te worden onderzocht. De kapitein aan het roer hoeft slechts zijn zelfgevoel in te ruilen voor een authentieker zelf, een bewuste fictie die gebaseerd is op innerlijke, in plaats van uiterlijke vrijheid.

    Math Geominy

    Reactie door Math G. - 30 juli 2009 - 11:11