Dus ik ben op: home ›› meedenker ›› stine jensen

Meedenker uitgelicht

Stine Jensen

Stine Jensen

Stine Jensen is filosoof, schrijver en literatuurcriticus voor NRC Handelsblad. Ze schreef samen met Rob Wijnberg het boek 'Dus ik ben' (De Bezige Bij, 4 maart 2010) in navolging van een artikelenreeks in de nrc.next. Daarnaast zoekt ze in de vier afleveringen van het tv-programma van 'Dus ik ben' naar de filosofische wortels van onze identiteit.

Iedere maand schuift ze aan bij 'OBA Live' van HUMAN om te discussiëren over politiek, cultuur en de actualiteit. Verder publiceerde ze onder mee de roman 'Dokter Jazz' en de non-fictie boeken 'Goddelijke Brulapen', 'Leugenaars' en 'Turkse vlinders'. Zie www.stinejensen.nl.

19 augustus 2009

Wie leeft wie lijdt, maar heeft dat zin?

Lijden kan een les in nederigheid zijn

Stine Jensen en Rob Wijnberg onderzoeken deze zomer in de serie ‘Dus ik ben’ in nrc.next de vraag: hoe definiëren wij onszelf? Alle artikelen uit de krant verschenen ook op dit blog. Vandaag de laatste aflevering: Ik lijd, dus ik ben.

Twee grote betraande ogen staren je aan. Daarboven de tekst: ‘Wereldwijd hebben ik en 40 miljoen andere vluchtelingen uw hulp hard nodig.’ Wie de bladzijde omslaat, ziet hetzelfde bruine kindergezicht: ‘En met het omslaan van de pagina is het probleem niet verdwenen.’ Er is trouwens nog zo’n jongetje in dezelfde serie. Hij heeft een bollere toet en kijkt je met een open mondje en al even grote vragende ogen aan. Net een dood te knuppelen zeehondje.

Zelden heb ik zulke zielige jongetjes gezien als die van de recente reclamecampagne van Stichting Vluchteling. Die natte ogen! Dat open mondje! Het zijn eigentijdse Afrikaanse versies van de beroemde huilende zigeunerjongen van de schilder Giovanni Bragolin. Hebben ze speciaal geposeerd of zijn ze uit een massa gelicht? Komen ze uit de Van Eeghenstraat of uit hongerlijdend Afrika? Ik las ergens dat bladen als Ouders van Nu en JM* baby’s fotoshoppen: ze maken de ogen net iets groter, het gezicht iets ronder. Zouden deze jongetjes ook zijn geshopt? Een onbehoorlijke vraag, misschien. Want dit is Lijden met een hoofdletter L.

Je zou zelfs kunnen stellen dat lijden bepaalde groepen een gemeenschappelijke identiteit verschaft. Wij (het rijke westen) erkennen bepaalde groepen of (arme, niet-westerse) landen voor zover ze lijden (Afrika). Hun lijden geeft hun bestaansrecht. Zij lijden, dus ze zijn. Als ze niet lijden, bestaan ze voor ons niet. We zien zelden hoe gelukkig Afrikanen zijn. Noem maar eens een paar willekeurig films over Afrika op. ‘Hotel Rwanda’, ‘Blood Diamond’. ‘The Constant Garderner’. ‘Cry Freedom’. Ze gaan over geweld, honger, genocide.

De mate waarin mensen lijden is dus bepalend voor de identiteit die wij aan anderen toekennen. Maar voor onszelf gaat soms hetzelfde op. Psychologen, hulpverleners en artsen weten dat als geen ander: hun beroep bestaat bij gratie van mensen die zichzelf definiëren in termen van leed. Lijden is ook een grote drijfveer van de politiek. De Partij voor de Dieren, de PVV, de SP: allemaal voeren ze het lijden van bepaalde groepen (respectievelijk van dieren, onze westerse cultuur, en van de armen) op als hetgeen dat hun bestaansrecht geeft. De (politieke) identiteit van dieren, van Nederland, van de onderklasse bestaat bij gratie van dit lijden.

Hoe wij omgaan met lijden wordt dan ook vaak als een graadmeter van beschaving gezien. Stichting Vluchteling doet een moreel appèl op medelijden. Ook de Partij voor de Dieren maakt medelijden tot de kern van hun partijfilosofie. Een dier lijdt, net als u en ik. Ze hebben dus bestaansrecht. De reclamecampagnes van de Partij voor de Dieren lijken vaak een beetje op die van Stichting Vluchteling: zielige hondenogen staren je aan en smeken om hulp. We worden er moreel toe aangespoord het lijden, dat onmenselijk is, te stoppen. Volgens de pragmatist Richard Rorty (1931-2007) is dat ook de bedoeling van politiek bedrijven: mensen gevoelig maken voor andermans lijden.

Waarom is lijden zo centraal voor onze zelfdefinitie? Misschien omdat de mens er zo mee worstelt. We zijn, maar waarom moeten we lijden? Alle monotheïstische religies geven daar een antwoord op: lijden is bijvoorbeeld een les in nederigheid of een straf van God (gereformeerden, Jodendom) of een proef om te kijken hoe standvastig de mens is (christendom, islam).

Hét icoon van het westerse lijden komt uit de Christelijke traditie: Jezus. Hij biedt gelovigen steun in de wetenschap dat ze in de dood verlossing van het lijden vinden. Toch zien religies zich ook voor een probleem gesteld. Als er een God is, waarom is er dan zovéél leed? Welke ‘straf’ was de Holocaust in vredesnaam?

Anders dan het christendom, die de verlossing van het lijden buiten het leven plaatst, zoeken de pragmatische filosofen tijdens het leven naar verlossing. Jeremy Bentham (1748-1832) bijvoorbeeld stelde in zijn utilitaristische filosofie voor om te streven naar een zo groot mogelijk geluk voor een zo groot mogelijk aantal mensen. Geluk betekende voor Bentham dus het vermeerderen van genot en het reduceren van pijn.

Niemand wil immers pijn en dus zij zoveel mogelijk beperkt te worden. De Partij voor de Dieren beroept zich op de ideeën van Bentham, en neemt het lijden als centraal uitgangspunt van het ‘zijn’: dieren hebben dan wel geen zelfbewustzijn, maar ze kunnen wel pijn lijden en dat is voor Bentham voldoende om ze dezelfde rechten als mensen te willen geven.

Medelijden is ook volgens Arthur Schopenhauer (1788-1860) datgene wat ons uiteindelijk tot moreel handelen kan aanzetten en ons van de wil – het egoïsme – kan afhouden. Maar anders dan de pragmatisten voorziet deze pessimistische filosoof geen verlossing van het lijden tijdens het leven. En hij kent er ook geen hoger doel aan toe, zoals gelovigen. Lijden hoort bij het leven en het is volstrekt zinloos. Ik ben, dus ik lijd.

Schopenhauer, die het leven ‘een keten van ontgoochelingen’ noemde, blonk uit in het denken over de onzin van het lijden. Wie leeft, krijgt hoe dan ook met ellende te maken. Dat komt door het wezen van de mens. De ‘wil’ drijft de mens voort en niemand kan eraan ontsnappen, want buiten de wil bestaat niets. En willen betekent: een permanente staat van onbevredigd zijn. Leven is willen en willen is lijden.

Geluk is dus slechts de vervulling van wensen, maar geen positieve toestand, omdat we meteen weer iets anders begeren. En als we een ogenblik niets willen, dan vervelen we ons en verlangen we weer naar nieuwe verlangens. Dat is de negatieve filosofie van Schopenhauer: ik ben niet gelukkig, dus ik ben. De bevrijding van het lijden ligt slechts in het Niets, zoals boeddhisten proberen te bereiken.

Maar wanneer die status is bereikt, ligt altijd nieuw leed alweer op de loer. De wil ontkennen biedt geen oplossing: het lijdt tot een ascetisch leven, maar Schopenhauer beschouwt de geslachtsdrift als de sterkste vorm van willen, die bezit van ons neemt en nodig is voor het voortbestaan van de mens als soort. De esthetische uitweg is er ook nog en biedt meer soelaas: je toevlucht zoeken in de kunsten, de muziek met name, die Schopenhauer als de ‘onmiddellijke projectie van de wil zelf’ beschouwt. In de muziek komt het diepste wezen van de mens, de wil, tot uiting.

Lijden is dus, wie het cynisch begrijpt, de enige manier om ons door het leven te slaan en te ervaren dat we ‘zijn’. We consumeren lijdensverhalen om dat te begrijpen en ons ermee te verzoenen. In veel bestsellers gaat er iemand dood aan een vreselijke ziekte en moet hij of zij daarom afscheid nemen van een geliefde: denk aan ‘Love Story’ (1970) van Erich Segal of aan Kluuns ‘Komt een vrouw bij de dokter’. Oprah en Dr. Phil bieden ons ook een dagelijkse porties lijdensverhalen en hanteren daarbij een veelgehoorde seculiere variant voor zingeving: lijden maakt je sterker als mens.

Lijden geeft daarmee ook status. Hoe meer lijden je kan verdragen, hoe sterker je bent. Alle gelovigen willen een keertje Jezus zijn: ze huren een kruis en slepen het over de Via Dolorosa in Jeruzalem. Het openlijk etaleren van leed kan echter ook een vorm van cultuurkritiek zijn: de Britse kunstenares Alice Newstead liet zich onlangs nog ophangen in het raam van een zeepwinkel in Parijs. Haar schouderbladen waren doorboord met haken die gebruikt worden bij de haaienvisserij en haar benen waren bijeengebonden als een haaienvin. Zo wilde ze namens een milieuorganisatie de aandacht vestigen op de haaienjacht. ‘Ze is een inspiratiebron voor ons allemaal,’ sprak de directeur van de organisatie.

Heeft lijden dan toch een beetje zin? Er wordt vaak beweerd dat popsterren de goden van deze tijd zijn en dat zij meer navolgelingen nu hebben dan Jezus.
De meeste popsterren koketteren met die gedachte en laten zich met een lichtgevend aureool om zich afbeelden (Michael Jackson), veranderen hun naam in een symbool (Prince) en krijgen rustplaatsen die uitgroeien tot bedevaartsoorden waar de Via Dolorosa een puntje aan kan zuigen (Elvis) of een muur waarop fans iets kunnen krabbelen waar de Klaagmuur niets bij is (Michael Jackson).

Madonna liet zich tijdens een van haar shows aan een groot kruis naar beneden zakken voor een club uitzinnige fans (’neem mij, eet mij, want dit is mijn lichaam’). Een leuk leven hebben de popsterren vrijwel nooit. Hun leven is lijden, maar het levert prachtige muziek op. Zo zijn het de popsterren die de waarlijk negativistische filosofie van Schopenhauer in deze tijd levendig houden.

* In de eerste druk van het boek ‘Dus ik ben’ is in het essay ‘Ik lijd dus ik ben’ ten onrechte gesteld dat het tijdschrift JM foto’s bewerkt. Die mededeling zal in de tweede en eventuele volgende drukken van het boek worden verwijderd.

Reacties

  • Er is een fout ingeslopen in de zin "Levinas kwam tot de ontdekking of conclusie dat ethisch handelen altijd onrechtvaardig is,..." de woorden "ethisch handelen" moeten vervangen worden door de woorden "elke keuze of interpretatie".

    Reactie door Ron Sudiono - 19 augustus 2009 - 11:11
  • Lijden, willen, leven, tijd, worden, verantwoordelijkheid, ethisch handelen; ze hebben allemaal verbindingen met elkaar, sommigen zelfs synoniemen van elkaar.

    “Wat wil je later worden?” vragen volwassenen vaak aan kinderen. Daar krijgt ons psychologisch tijdsbesef een harde gestalte. Leven is kennelijk (“ik was nog klein en wist niets”) dus worden, en je wordt iets door te willen, sterk te willen zelfs voor de meeste beroepen of hooggewaardeerde eigenschappen. Waarom moeten we iets willen eigenlijk ? Kennelijk is willen gelijk aan een hoge waarde in dit leven. Het komt waarschijnlijk door het besef van geboorte en dood. Het (zelf)bewustzijn begint met het onder- en erkennen van onze geboorte en dood. Een kind die voor het eerst de dood erkent kan niets anders doen dan het erkennen van de tijdigheid van zijn/haar leven. “We leven maar één keer”, zeggen we in het koor als we willen zeggen dat we in dit leven zoveel mogelijk mag of moet ….. De meeste morderne mensen vullen “genieten” in als ze gevraagd worden wat we vooral moeten doen in dit leven, want leven is “kort”. Hiermee creeën we ons eerste lijden, omdat niemand van de tijd kan ontsnappen, de tijd waarop we, zonder uitzondering, doodgaan. De chronologie of gevolg-oorzaak ketting is dus: tijdsbesef dat het allemaal ooit ophoudt, worden/streven tijdens “onze tijd”, waardoor lijden: het moeten willen. Bij suicidalen is het lijden al zo groot geworden dat de wil zelfs tijdens dit leven al ophoudt zich te bestaan. Overigens is de beleving dat het leven kort is natuurlijk helemaal afhankelijk van onze welzijn. Zijn we rijk dan is het leven kort; zijn we arm dan duurt het leven een eeuwigheid.

    Vervolgens is het interessant om te kijken naar de verschillende culturen en godsdiensten hoe ze de verhouding lijden/pijn en geluk/plezier in hun waardensysteem beschouwen. In de Westerse beschaving heerst het geloof van lineaire tijd, dus de tijd is ooit ontstaan en gaat door tot het eindigt. Doordat de meeste mensen (in het begin en in de meeste gebieden op aarde) veel te maken hebben met armoede, ziektes en natuurrampen geloven we dat het leven hier op aarde vooral lijden is. Daarna komt de verlossing: het geluk. Het liefst natuurlijk oneindig veel geluk die bovendien nooit zal ophouden, dus hemels. De volgorde of principe is dus eerst pijn/lijden daarna geluk/plezier. Stiekum genieten de rijkeren echter ook in dit leven; zolang het maar niet ten koste gaat van andermans geluk, is dan hun boetedoening in hun poging de waarden en de realiteit zich enigszins te kunnen verenigen. Nietsche kwam overigens wel met de analyse dat een universele waardesysteem niet bestaat (zelfs niet voor een Westers deel van de wereld), maar er zijn grofweg 2 soorten moralen afhankelijk van de toestand of het bezit van de groep, namelijk die van de rijkeren of sterkeren (inclusief jongeren), en die van de arme of zwakkeren (inclusief ouderen). Ooit streed het waardesysteem van de Romeinse keizer tegenover ide van het zwakkeren (Christendom). Verder terug in de tijd zagen de Grieken en ook de Japanners vooral de krijgers als de sterkeren met het hoogste ideaal: ze zijn goed doordat ze 2 eigenschappen bezitten: moed én schoonheid. Dat de Nazi het Uebermensch idee van Nietsche gebruikte valt ook letterlijk te bewonderen in de schoonheid van de Nazi uniform en uitrusting, net zo mooi en strak als de uitdossing van de Romenise Keizerlijke garde, en die van de Japanse samoerai. In deze krijgers uit de verschillende werelddelen en perioden zie ik de overeenkomsten met de waarde (het idee) dat goed vooral sterk, moedig en mooi moet zijn. Wie niet sterk is is zwak, en die lijdt (want onderdrukt door de sterkeren, aldus bijvoorbeeld Nietsche).

    In het Oosten, ver van de omgeving van de krijgers, zag Boeddha veel lijden in het dagelijkse leven binnen zijn volk, en hij wilde het probleem bij de kop pakken, dus ging hij de bron (noem het verlangen of wil) te lijf via meditaties: het ervaren, het laten gebeuren, daarbij tevens het voorbij laten gaan van geluk impulsen (verlangens) tijdens de daad van het mediteren zelf, niet daarbuiten.

    Het lijden wordt in de meeste culturen gezien als een boete (van een schuld). Boete doordat we een gevallen mens zijn, strevend naar onze terugkomst en samenvallen met onze goddelijke maker (Christendom), of boete door “pech”, doordat we domweg “geworpen” zijn zonder onze eigen wil en keuze, waarbij de wereld zelf altijd al vol ellende zit (beter: zat) vanwege schaarste van alles en nog wat, van fysieke zaken tot zoiets als naaste liefde, mededogen of verantwoordelijkheid (allemaal woorden over hetzelfde).

    Interessant is ook om de latere filosoof Levinas te betrekken, zeker in onze reflectie over de intermenselijke relatie. Hij zegt dat verantwoordelijkheid (bewust een strengere term voor liefde) pas mogelijk is als we ons openstellen aan “het gelaat van de Ander”, waarbij het lijden (denk ik) vooral het belangrijkste indruk is die we tijdens “het appél” als het goed is horen te krijgen. Maar voordat we over deze derde voorwaarde uberhaupt kunnen spreken dan hebben we te maken met de eerste twee voorwaarden voor verantwoordelijkheid, namelijk onze lichamelijke onafhankelijkheid (geluk/plezier vermeerderen) en afhankelijkheid (pijn/lijden verminderen). De vierde voorwaarde voor het geven van liefde is zowaar het denken, het interpreteren van het appél voor een grotere groep dan sec die ene Ander. Levinas kwam tot de ontdekking of conclusie dat ethisch handelen altijd onrechtvaardig is, omdat de tegenstrijdige belangen van de groep die we bij ons denken betrekken. Wat ik bij de één doe, is altijd een geweld tegenover de ander, waardoor rechtvaardigheid een illusie is (doordat ik keuze maak, vergelijken wat onvergelijkbaar zijn). Extreem voorbeeld is te zien in “Sophie’s choice” bijvoorbeeld. Hoe kom ik er dan uit (om een ethisch te handelen) ? Zelf niet! De oplossing die Levinas bood is: we moeten op onze beurt ook een appél doen, want we kunnen het niet allemaal zelf oplossen (goed doen). Daarmee zeggende dat ieder handelen in feite een onetisch handelen is. Echt ethisch handelen is niets doen (in de zin van geen keuze maken). Jiddu Krishnamurti was een zoon van een rijke Brahmaan. Als kind kreeg hij rijst die hij uit moest delen aan de armere bevolking bij wijze van gebaar voor medeleven voor degene die het meest lijden. In plaats van de rijst te verdelen gaf de kleine Krishnamurti de rijst buidel aan één persoon. Het lijkt mij alsof hij “ongenuanceerd” wilde uitdrukken: het maakt toch niet uit wat ik doe, niets is verantwoord bij deze daad. Bij Krishnamurti is de oplossing voor alle ellende trouwens de erkenning dat wij en de wereld buiten ons (dus alle andere mensen en dieren enz) nooit los van elkaar zijn geweest, maar één geheel betreft: I’m the world, the world is me. Niet als een intellectuele statement of idee of moraal, maar het werkelijk inzien als een feit, en als ieders verantwoordelijkheid. Ook hij pakte het probleem bij de kop, bij het eerste begin. Er is geen worden, die tijd verondersteld, maar een revolutionaire ingreep: een amputatie en afscheid van/met onze conditioneringen welke/die al het menselijke leed veroorzaakt(e).

    Reactie door Ron Sudiono - 19 augustus 2009 - 09:09