Bertien Minco is directeur van het Jeugdcultuurfonds en denkt mee over onze identiteit anno 2010. Ze bespreekt een klassenfoto van een Joodse kleuterschool uit 1926 waarop haar tante te zien is die sprekend op Bertien lijkt. Bij het zien van de foto realiseerde ze zich dat haar bestaan de herinnering aan haar tante heeft doen voortleven. Ze concludeert: “Het individu bestaat niet: ons bestaan is niet beperkt tot die jaren dat we op aarde zijn.”
Waarom dit beeld?
“Dit beeld heeft het zicht op mijn eigen leven veranderd. Twee jaar geleden kreeg ik deze foto toegestuurd per mail. Ik klikte ‘m open en zag mezelf zitten, in het decor van een Amsterdamse Joodse kleuterschool in 1926. Maar het meisje waarin ik mijzelf herkende is de zus van mijn moeder, die tijdens de oorlog door de Duitsers werd meegevoerd en vermoord.
Ik begreep ineens dat er eigenlijk meerdere mensen in mij ‘leven’. Als er naar mij gekeken wordt, zien mensen niet alleen mij, maar ook anderen.”
Wat zie je? Vertel…
“Je ziet een kleuterklasje uit een Joodse school op de Nieuwe Keizersgracht in Amsterdam in 1926. Het gaat om het meisje midden vooraan, met witte strik in heur haar. Ze kijkt verwachtingsvol de camera in. Ik herken haar blik, de opgetrokken schoudertjes en benen. Als ze de oorlog overleefd had, was ze mijn tante geworden, Sara Ricardo.
Het lijkt alsof de fotograaf op dit meisje heeft scherpgesteld. Het is de oudste zus van mijn moeder, die op dat moment net geboren was, in september ‘26. Mijn tante werd later verpleegster in het Joods psychiatrisch ziekenhuis, het Apeldoornsche Bos. Toen het ziekenhuis werd leeggehaald door de Duitsers ging zij mee - ze wilde de patiënten niet in steek laten - en is vermoord. Haar dood is voor de familie zo pijnlijk dat er nauwelijks over haar gesproken wordt.
Toen ik de foto zag begreep ik ineens dat ik als kind sprekend op haar geleken moet hebben. En dat de herinnering aan haar als een schaduw over mij heen ligt. Wie naar mij keek zag niet alleen mij - of misschien wel mij geheel niet - maar ook haar. Ik heb de herinnering aan haar springlevend gehouden.”
Jij koos dit beeld. Wat zegt dit beeld over jou?
"Ik realiseer me hoezeer mijn bestaan de herinnering aan mijn tante heeft doen voortleven. En hoe complex dat voor mijn familie is geweest, troostend en kwellend.
Dat bewustzijn is in de kern voor mij een heel belangrijk gegeven. Wij bestaan in veel grotere context dan we soms in de gaten hebben. Generatie op generatie leven we in elkaar voort en geven we dingen door. Je leven beperkt zich niet tot de tijd tussen je geboorte en je dood. Ook daarvoor en daarna heb je een bestaan. Dat vind ik een troostende gedachte.”
Wat zegt dit beeld volgens jou over onze samenleving?
“Dit beeld laat zien dat de geschiedenis een deel van ons is. Ook je handelen wordt voor een deel bepaald door het besef van die geschiedenis. Het verdriet over de dood van mijn tante is een deel van mij. Van daaruit handel ik en dat komt deels doordat een ander dat op mij projecteert.”
Welke vraag, welk dilemma, roept dit beeld op over ons mens-zijn?
“We zijn geen individuele wezens in onszelf. Het individu bestaat niet: ons bestaan is niet beperkt tot die jaren dat we op aarde zijn. We bestaan in samenhang met de ander.
Dat anderen meer zien dan mij alleen als ze maar me kijken betekent overigens niet dat ik niet gezien word, maar juist dat ik besta dankzij die anderen. En daarmee ben je dus ook iemand anders dan je zelf denkt.”
Vul in: Ik …, dus ik ben.
“Ik ben een deel van mijn geschiedenis, dus ik ben. Wie zouden er nog meer in mij leven?”