Dossiers: Mensenrechten
Tags: privacy

'Ik heb het gevoel dat ik me, ondanks de vele hindernissen, nuttig heb kunnen maken.'
De dilemma’s van idealisme en ontwikkelingssamenwerking staan de komende weken centraal op Human.nl.
Spelregels
- Toon respect voor andersmans mening;
- De reactie moet betrekking hebben op de inhoud van het debat;
- Reageer met korte bondige teksten;
- Racistische teksten of ander haatzaaiend materiaal wordt verwijderd;
- Speel niet op de man.
Kun je verschil maken in een wereld die de jouwe niet is? Over deze vraag zendt HUMAN op donderdag 11 en 18 februari om 22.50 uur op Nederland 2 twee documentaires uit.
Bridging the Gap, te zien op 11 februari, volgt Daniel Knoop die naar Kameroen vertrekt om namens de VN kleine ondernemers in de bossector te steunen. In Angela’s Missie, uitzending op 18 februari, reist strafrechter Angela Kaptein af naar Kosovo om zich in zetten voor de opbouw van de democratische rechtsorde.
Hoe houden zij zich staande met hun Nederlandse waarden en normen in landen waar geweld, corruptie en bureaucratie aan de orde van de dag zijn? Op Human.nl debatteren we verder met de betrokkenen en andere meedenkers.
Meedenkers
'Idealisten geloven in wonderen, ik niet.'

Angela Kaptein
Strafrechter
Strafrechter Angela Kaptein keerde onlangs terug uit Kosovo, waar zij zich inzette voor de opbouw van de democratische rechtsorde. In de documentaire 'Angela's Missie' stuit zij op een gigantische bureaucratie.
In ‘Angela’s missie’ van regisseur Marc Schmidt, te zien op donderdag 18 februari, vertrekt Angela Kaptein naar Mitrovica om daar een rechtbank te heropenen en de rechtsorde te herstellen.
'Wilde oosten'
Maar haar idealen en normen stuiten op de weerbarstige werkelijkheid van het ‘wilde oosten’ dat Kosovo nu al jaren is. Al snel loopt ze op tegen de gigantische bureaucratie die er heerst.
Vanaf haar Nederlandse werkplek in Den Haag aan Human.nl over haar verblijf van 1,5 jaar in Kosovo.
“Als rechter in Nederland bevind ik mij als het ware aan het einde van de rit: op het moment dat ik een zaak behandel, is veel leed al geschied. Ik vind het belangrijk om daarnaast ook op een meer opbouwende manier iets voor de samenleving te kunnen betekenen.
Toen ik hoorde dat er rechters werden gezocht voor de EULEX-missie, de grootste civiele EU-missie ooit, leek me dat ontzettend boeiend. Samenwerken met anderen die het zelfde vak als jij uitoefenen, van hen leren en mijn expertise overdragen, ik vond het een prachtige combinatie. Met rechters uit een ander land samen een rechtszaak behandelen, vooral dat trok me aan.
Geen idealist
Een idealist wil ik liever niet worden genoemd. Dit soort werk kan beter door praktische, nuchtere mensen worden gedaan dan door idealisten: je moet namelijk niet willen geloven in wonderen, maar de realiteit onder ogen zien. Ik wist van te voren al dat het er niet makkelijk zou worden, dat we als pioniers aan het rechtssysteem zouden gaan werken en dat dat zou inhouden dat we met veel kinderziektes te maken kregen. Dat bleek inderdaad zo te zijn.
Deze missie is een kwestie van lange adem. Misschien gaan er wel twee generaties overheen voordat het land op orde is. En daar is hulp van buitenaf bij nodig. Want hoewel ik denk dat je als buitenstaander mensen niets kunt opleggen, kan je ook niet je ogen sluiten voor wat er gebeurt in de wereld. Zeker niet voor een land zo dichtbij als Kosovo. De rechters daar bevinden zich in een moeilijke positie. Ze verdienen heel weinig geld, worden geïntimideerd, bedreigd en de meerderheid is ouder dan 50 en niet zo gericht bezig met de toekomst van het recht in hun land.
Geen transparantie
Ik heb het gevoel dat ik me, ondanks de vele hindernissen, nuttig heb kunnen maken. Maar ik heb me wel verkeken op de leergierigheid van de rechters. Er waren nauwelijks momenten waarop ze me vroegen: hoe doen jullie dat in Nederland?
Waar ik ook op stuitte was het gebrek aan transparantie. Een president van de rechtbank die voorafgaand aan een zaak alvast een kopje koffie drinkt met een van de partijen: dat zie je bij ons niet. En zoiets moet ook niet kunnen. Daar heb ik wel wat van gezegd, ik vond dat dat mijn taak was. Ik deed dat overigens wel op een tactische manier, want mensen moeten niet denken dat je hen de les komt lezen. Dat wilde ik ook niet, want van hen kan ik net zo goed leren.
Dat mensen met heel weinig geld naar de rechtbank afreizen en dan voor een dicht loket staan omdat een medewerker drie uur aan het lunchen is, vond ik ook niet nodig. Ik heb gesuggereerd dat ze de openingstijden op een bord aangeven.
Op de koffie
Van het contact met de ‘gewone’ mensen in Kosovo heb ik veel opgestoken. De warmte waarmee ze me benaderden - na een willekeurige ontmoeting met iemand op straat kon ik zo maar ineens op de koffie worden gevraagd - wil ik zo lang mogelijk proberen hier in Nederland ook uit te dragen.
Als ik hen vertelde dat ik van EULEX was, zeiden ze dat ze het zo fijn vonden dat we er waren. Alleen al het feit dat ik me verdiept had in hun situatie, gaf hun een positief gevoel.
Ontwikkelingsgeld wordt dikwijls verkeerd besteed. Samenwerking kan ook frustrerend zijn. Vroeger wist ik dat, en na mijn verblijf in Kosovo kan ik het ook voelen. Maar ik vind dat we toch moeten blijven zoeken naar een goede vorm van internationale samenwerking. De welvaart die we in Nederland kennen, is een uitzondering vergeleken met verreweg de meeste landen in de wereld.”
'Met samenwerking stoppen zou overhaaste conclusie zijn.'

Norbert de Kooter
Humanistisch geestelijk raadsman bij Defensie
Norbert de Kooter verbleef als humanistisch geestelijk verzorger bij Defenisie vanaf december 2007 ruim vier maanden in Uruzgan. Stoppen met ontwikkelingssamenwerking zou volgens De Kooter een 'overhaaste conclusie' zijn.
Vanuit welk ideaal zou iemand ontwikkelingswerk moeten doen en heeft u hier een voorbeeld van?
“De welvaart in de wereld beter verdelen, is mijn ideaal. Vaak zit daar een gezonde dosis schuldgevoel bij. In de Westerse wereld hebben we het erg goed, soms ten koste van anderen.
Zelf was ik als humanistisch geestelijk verzorger in Uruzgan voor het welzijn en de (levens)vragen van militairen en andere aanwezigen. Het Nederlandse Provinciaal Reconstructie Team (PRT) van Defensie heeft als doel in Afghanistan op bestuurlijk- en landbouwgebied een ontwikkeling op gang te brengen die onze aanwezigheid overleeft. Het gaat bijvoorbeeld om scholen bouwen, waterputten slaan, moskeeën neerzetten en bemiddelen tussen stamoudsten.”
Veel ontwikkelingswerkers lopen, zoals in de documentaires te zien is, tegen culturele en taalbarrières op en gaan uit van Westerse waarden die in landen met corruptie, geweld en bureaucratie niet werken. Kun je verschil maken in een wereld die de jouwe niet is?
“In ieder van ons is een set normen en waarden verankerd waarvan we ons moeilijk kunnen ontdoen. Je moet ontzettend je best doen om een voorstelling van het leven in Afghanistan te kunnen maken. Het is misschien rationeel het beste onze hulp bij de bouw van een school afhankelijk te maken van de samenwerking tussen twee Afghaanse stammen, maar dan vergeten we de stammencultuur mee te wegen. We proberen vanuit ons referentiekader iets te betekenen, maar je kunt slechts een kleine stap maken.
Aan de andere kant zijn het ook gewoon mensen en dat levert herkenning op. Ik herinner me van een patrouille een nieuwsgierig kijkend meisje, dat dankbaar lachte toen ze een pen kreeg. Via die menselijke ingang kunnen we iets betekenen, om te beginnen door goed te luisteren."

Op de foto: een Afghaans meisje krijgt een pen
tijdens de patrouille met Norbert de Kooter.
Wat betekent dat voor het werk van Defensie?
“Binnen Defensie hebben we veel goede bedoelingen en proberen we het zo goed mogelijk te doen via het PRT en de geneeskundige dienst. Individuele eenheden doen heel veel goed werk, maar eigenlijk hebben we de middelen niet voor ontwikkelingswerk. Defensie is vooral goed in het creëren van veiligheid zodat andere organisaties kunnen opbouwen. Veiligheid wordt op termijn alleen gewaarborgd door ontwikkeling, die komt er niet alleen doordat een buitenlandse macht met modern materieel rondrijdt om de Taliban te verjagen. Sowieso krijgen mensen iets te makkelijk het etiket Taliban opgeplakt. Een boer in een Afghaanse vallei die uit angst een Talibanstrijder in zijn huis opneemt, is ook een slachtoffer. Als we daar met oogkleppen voor naar kijken zullen we ons doel niet bereiken. We moeten met de bevolking van Afghanistan in gesprek.”
Het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over ontwikkelingssamenwerking stelt dat hulp niet leidt tot structurele verbeteringen in ontwikkelingslanden waardoor de bevolking zichzelf niet kan bedruipen. Maken we inwoners en overheid te afhankelijk van hulp?
“Ik kan me voorstellen dat er vormen van hulp zijn waarmee landen niet beter af zijn. Voedselhulp is van belang als mensen dreigen om te komen van de honger, maar als ze in staat zijn zelf voedsel te verbouwen zijn ze beter af met een hark en een schoffel.
Het belangrijkste is zoals gezegd goed te luisteren wat de ander nodig heeft en te zorgen dat je de gevraagde hulp levert. Daarbij moet ontwikkelingssamenwerking hand in hand gaan met economische ontwikkeling en het bevorderen van mensenrechten. Het zit hem in het woord samenwerking.”
Sommige critici vinden dat we beter kunnen stoppen met ontwikkelingssamenwerking: wat hebben wij met de ellende van anderen te maken?
“Het hangt er vanaf in hoeverre we ons verantwoordelijk voelen voor de omgeving en hoe groot je wereld is: ben je een Nederlands staatsburger of een wereldburger? Vanuit dat idee voel ik me medeverantwoordelijk voor wat er in de wereld gebeurt. Al is het goed de betrekkelijkheid daarvan in te zien. Eerstverantwoordelijk zijn de mensen die het betreft.
Maar we hebben het in Nederland zo goed dat we het ons niet kunnen veroorloven ons op een eiland terug te trekken. Niet alle 6,8 miljard mensen in de wereld kunnen op de Westerse manier hetzelfde welvaartsniveau halen. We zullen moeten delen en dat betekent dat wij moeten inleveren. De vraag is niet of dat zal gebeuren, maar of het goedschiks of kwaadschiks gaat. Een onrechtvaardige verdeling zal alleen met veel machtsmisbruik overeind blijven. Ik ben ervan overtuigd dat we meer moeten delen voor een rechtvaardiger samenleving.”
Zouden ontwikkelingslanden beter af zijn zonder hulp?
“Over de vorm van de hulp moeten we goed nadenken, maar het is een overhaaste conclusie dat we met ontwikkelingshulp zouden moeten stoppen. Tijdens een eerdere uitzending kon door de aanwezigheid van Nederlandse militairen in Bosnië een kind over straat lopen dat anders vanwege sluipschutters binnen had moeten zitten. Voor dat kind was het vrede en geen oorlog. Het kon zich daardoor ontwikkelen en dat is winst. Zo klein moet je de hulp maken, dan is zij waardevol.”
Wat is uw eigen ideaal bij ontwikkelingssamenwerking?
“Ieder mens wil zich ontwikkelen en stappen voorwaarts maken. Die eigenschap hebben we met elkaar gemeen. In sommige gevallen hebben mensen daar hulp bij nodig. Laten we onze welvaart kritisch bekijken en zien wat we met anderen kunnen delen.”
'Vrijwilligerswerk is een soort industrie'

Renske de Greef
Schrijfster
Renske de Greef (26) schreef de roman ‘En je ziet nog eens wat’ over vrijwilligers in Afrika. Het ondernemerschap lijkt haar de beste bijdrage aan de ontwikkeling van een land.
Zeven maanden verbleef Renske de Greef in Tanzania. Gedurende die periode ontstond het idee voor haar boek ‘En je ziet nog eens wat’. De roman laat zien wat er gebeurt als jonge, idealistische mensen in een vreemde cultuur terecht komen en hoe moeilijk het is om in zo’n situatie iets goeds te doen.
HUMAN zond de documentaires ‘Bridging the Gap’ en ‘Angela’s Missie’ uit over de dilemma’s van ontwikkelingssamenwerking. De Greef reageert als meedenker op de vraag ‘kun je verschil maken in een wereld die de jouwe niet is’.
Bij welk van de personages uit je boek sluit jouw ideaal over ontwikkelingswerk het beste aan?
“Hoe meer je van een onderwerp afweet, des te ingewikkelder het wordt. Ik heb geprobeerd die nuance in mijn boek te laten zien via de verschillende personages. Het meest herken ik me in de keuze van Jonathan, een vrijwilliger die besluit een bedrijfje in door straatkinderen gemaakte ‘traumakunst’ te beginnen. Het ondernemerschap lijkt me de beste bijdrage aan de ontwikkeling van een land. Er zit een wederkerigheid in die hulp niet heeft.”
Veel ontwikkelingswerkers gaan uit van Westerse waarden die in landen met corruptie, geweld en bureaucratie niet werken. Hoe kun je verschil maken in een wereld die de jouwe niet is?
“Hoofdpersoon Guusje denkt in mijn boek dat ze een vriendschap heeft gevonden die boven de banale geldkwestie uitstijgt. Terwijl de betreffende toeristengids denkt: ik heb zorgen en jij kunt daar wat aan doen door me 50 dollar te betalen. Het blijkt ingewikkelder dan met goede intenties naar Afrika gaan en denken dat het vanzelf in orde komt.
Ook hangt het er vanaf hoe groot het verschil is dat je wilt maken. Je hebt mensen die middenin het bos een internetcafé willen beginnen, om vervolgens te ontdekken dat glasvezelkabel erg duur is. Dan leef je in een wereld die heel ver weg is van Afrika. Bij bedrijfjes van mensen die de lokale taal geleerd hebben, is de afstand veel minder groot. Maar er zijn ook vrijwilligers die zeggen: door die ene baby te knuffelen, heb ik verschil kunnen maken.”
In hoeverre kun je Westerse waarden overdragen naar de verschillende windstreken?
“Daar zitten twee kanten aan die ik beide arrogant vind. Sommigen hebben het ‘nobele wilden-idee’ dat Afrikanen van de wind leven en niet willen consumeren. Anderzijds is het eigenlijk heel raar om in een vreemd land les te geven aan kinderen wiens taal je niet spreekt.
Het moet ook vreemd zijn om in Moshi in Tanzania te wonen en te zien dat jonge en rijke mensen met stenen komen sjouwen om een school te bouwen. Daarbij kleden westerse meisjes zich uitdagend en ze roken, drinken en dansen op tafel als ze uitgaan. Het zou kunnen dat Tanzanianen denken ‘zo kan het ook’. Of het schept juist afstand, doordat ze denken ‘zo willen we nooit worden, ze zijn gek’. Vaak spraken Tanzanianen met afgunst en dedain over vrijwilligers.”
Maken we inwoners van ontwikkelingslanden te afhankelijk van hulp zoals het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid stelt?
“Het is een logisch gegeven dat mensen afhankelijk worden van giften als ze steeds iets krijgen. In Tanzania kwam ik kindjes tegen die riepen ‘give me my money, give me my water’. Als we niets gaven, bekogelden ze ons met steentjes.
Hulp leidt er ook toe dat er steeds meer weeshuizen komen omdat er goed geld mee te verdienen is. De komst van vrijwilligers is een soort industrie geworden, ‘het voluntourism’. Ouders staan hun kind af omdat ze in een weeshuis een beter leven en meer kansen hebben. Hulp zorgt voor een gebrek aan verantwoordelijkheid voor het eigen bestaan.”
Wat zijn de alternatieven voor ontwikkelingssamenwerking?
“Een systeem dat zich in de geschiedenis goed bewezen heeft, is het ondernemerschap. Je ziet in Afrika vrij veel kleine bedrijven opkomen. In Kenia heb ik een bedrijfje gezien dat traditionele Masaikleding integreert in hippe jongerenkleding. Zo’n ondernemer heeft wellicht behoefte aan uitleg over het ondernemerschap. Misschien ligt er een rol in het overdragen van kennis.”
Bezoek ook het DocBlog 'Bridging the Gap' over de dilemma's van ontwikkelingssamenwerking.
Op de foto: Renske de Greef (Fotograaf: S. Sloot).
Angela Kaptein Strafrechter
Norbert de Kooter Humanistisch geestelijk raadsman bij Defensie
Renske de Greef Schrijfster
Zijn wij ons brein? 15 feb 2011
Help! Een homo in de klas 20 dec 2010
Slavernij in Nederland 11 okt 2010
Gerechtelijke dwalingen 10 sep 2010
Gelukszoekers 29 jul 2010Wekelijks overzicht van nieuws, debat, agenda, blogs en HUMAN producties






















