De verderfelijke werkelijkheid

woensdag, 17 oktober 2012
Bookmark and Share

"Is het mogelijk als atheïst in wonderen te geloven?" vraagt Tom Muisman, woonplaats onbekend.

Zien is geloven, Tom. Zo luidt een Engels spreekwoord. Je zou dat kunnen toepassen op de dichotomie tussen wetenschap en geloof. Wie iets wonderlijks wil bewijzen moet dat vooral aantoonbaar maken. Hiertegenover staat dat gelovigen deze informatie niet nodig hebben. Ze hoeven niet te zien om te geloven. 

Film is een wonderwerk op zich. Alles, ook het onmogelijke, valt zichtbaar te maken op het scherm. Bijvoorbeeld het tafereel van een vrouw die tijdens de geboorte van haar kind overlijdt – en dagen later tot leven te worden gewekt waar zij in haar kist ligt, omringd door geliefden die treuren om haar heengaan.


In 'Ordet' (1955) van Carl Theodor Dreyer twijfelt Morten, patriarch van een gezin op het Deense platteland, aan zijn geloof doordat een van zijn zonen, Johannes, psychisch in de war is geraakt na teveel Kierkegaard te hebben gelezen. Sindsdien denkt Johannes dat hij Jezus Christus is.

Nog een zoon, Mikkel, gelooft helemaal niet. Zijn zwangere vrouw Inger wel. Zij is het die tijdens de bevalling overlijdt. Opvallend is dat Dreyer, grote meester van het minimalistische expressionisme, de scènes van Ingers lijden opzettelijk uitrekt, alsof pijn en geloof aan elkaar gekoppeld zijn.

Johannes
Wanneer Inger opgebaard ligt, omringd door witte, lege wanden en in het zwart geklede, rouwende familieleden, verschijnt Johannes. Ogenschijnlijk helder van geest predikt hij aan de aanwezigen dat God voor een wonder kan zorgen – mits hun geloof in Hem groot genoeg is.

Het wonder geschiedt: Inger leeft weer. Mikkel neemt haar in zijn armen. Zij kus hem – zinnelijk, hartstochtelijk, onvergetelijk – nadat hij ontroostbaar had gezegd dat hij niet alleen van haar ziel hield, maar vooral ook van haar lichaam.

'Trancendental Style in Film'
'Ordet', of 'Het Woord', figureert sterk in het boek 'Trancendental Style in Film' (1988) van de Amerikaanse filmmaker Paul Schrader. Hierin onderzoekt hij aan de hand van werken van Yasujiro Ozu, Robert Bresson en Dreyer het bovenzinnelijke in tegenstelling tot psychologische of filosofische realisme in de cinematografie.

De drie stadia die Schrader in de transcendentale stijl identificeert zijn prachtig zichtbaar in 'Ordet': de koude, betekenisloze alledaagse waarin feiten overheersen, gevolgd door een onbalans, dat wil zeggen het introduceren van gevoel of passie die de aanwezigheid van het Heilige in dat alledaagse suggereert. En tenslotte evenwicht: een balans tussen de tegengestelde krachten, maar nu mét begrip voor de aanwezigheid van het spirituele onder de oppervlakte van de tastbare werkelijkheid.

Wonderen
Het geniale aan Dreyer is dat zijn personages, óók de fundamentalistische gelovigen, niet echt denken dat een wonder mogelijk is, dat Inger echt tot leven zal worden gewekt. En toch gebeurt het.

Met 'Ordet' laat Carl Theodor Dreyer zien dat je moet kunnen geloven wil je in wonderen geloven. Wie dat niet kan, is gedoemd tot een bestaan in de koude, verderfelijke werkelijkheid.